hockeyen werkw. Uitspraak: [ 'hɔkijə(n) ] Afbreekpatroon: hoc·key·en Vervoegingen: hockeyde (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: heeft gehockeyd (volt.deelw.) hockey spelen sport Voorbeelden: 'hockeyen met beschermende kleding' , 'Ze kan goed hockeyen.' Zie ook: hockey ... Gevonden op https://woorden.org/woord/hockeyen