het hoogseizoen zelfst.naamw. Uitspraak: [ ˈhoxsɛizun ] Afbreekpatroon: hoog·sei·zoen Verbuigingen: hoogseizoenen (meerv.) drukke periode in het jaar Voorbeeld: 'De kerstperiode is hoogseizoen voor de hotels en de prijzen zijn dan hoger.' Antoniem: laagseizoen Gevonden op https://woorden.org/woord/hoogseizoen
periode waarin zich het grootste aantal toeristen of bezoekers naar een toeristische bestemming begeeft, meestal in de schoolvakanties, op wettelijke feestdagen of in een tijd met doorgaans de beste weersomstandigheden; drukste periode in een toeristisch seizoen jaarlijks terugkerende periode waarin de grootste bedrijvigheid plaatsvindt van zekere ... Gevonden op https://anw.ivdnt.org/article/hoogseizoen
High season. De periode waarin voor een bepaald oord-geografisch gebied het hoogste aantal reizigers-bezoekers te verwachten is; in de luchtvaart code H Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10965