de kik zelfst.naamw. (m.) Uitspraak: [ kɪk ] geen kik geven (geen enkel geluid maken) 'Het kind kreeg een prik, maar het gaf geen kik.' Gevonden op https://woorden.org/woord/kik
klein, flauw geluid uitdr.: Voorbeeld: ‘geen kik weten van’: niet het minste, in het geheel niets - Voorbeeld: ‘Dat Brugge buiten het Etappengebied gelegen was en tot het Marine- of Kustgebied behoorde, daar wist ik heus geen kik van’ Gevonden op https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0014.php
Spreekwoorden: (1914) Geen kik laten (of geven). Dat is: geen geluid geven, niets zeggen; ook: kik noch mik zeggen. In de 18<sup>de<-sup> eeuw vrij gewoon, terwijl het wkw. kicken (nhd. kickern naast kichern) reeds in de middeleeuwen voorkomt, ook in de uitdr. kicken no micken, dat thans in Zuid-Nederland nog ... Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10778