Kopie van `E-klas begrippen uit de spraakkunst`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


E-klas begrippen uit de spraakkunst
Categorie: Taal en literatuur
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 88


aantonenende wijs
/> wijs

aanvoegende wijs
/> wijs

aanwijzend voornaamwoord
een voornaamwoord dat heel nadrukkelijk verwijst naar een ander woord
dit, dat, deze, die, zulk, zo`n, gene, gindse, datgene, diegene, diegenen, zelf

achtervoegsel
suffix;een morfeem dat achter een grondwoord wordt geplaatst om een nieuw woord te vormen
kogel-s, macht-ig, kijk-er

actief
een zin staat in de actieve vorm als de situatie die hij uitdrukt wordt weergegeven vanuit het perspectief van het logisch onderwerp (agens), zodat dit samenvalt met het grammaticaal onderwerp
Vandaag vieren we feest - De automobilist reed een fietser aan

adjectief
/> bijvoeglijk naamwoord

affix
toevoegsel;gebonden morfeem dat wordt toegevoegd aan een grondwoord om een nieuw woord of een nieuwe vorm van een woord (verbuiging, vervoeging) te krijgen afleiding: een woord dat gevormd is uit een bestaand woord, meestal door het toevoegen van voorvoegsels en-of achtervoegsels
koel > koelte, verkoeling

antecedent
datgene waarnaar wordt verwezen door een voornaamwoord of een voornaamwoordelijk bijwoord
het pad dat naar het huis leidt - het boek waarover we spraken

antoniem
woord dat een tegengestelde betekenis heeft t.o.v. een ander
dood - levend - groot - klein

bedrijvende vorm
/> actief

bepaling
een zinsdeel dat geen onderwerp, gezegde of voorwerp is

bepaling van gesteldheid
een bepaling die tegelijkertijd slaat op het gezegde en op het onderwerp of het lijdend voorwerp
Hij verft de deur groen - Ik vond het boek maar niks

betrekkelijk voornaamwoord
een voornaamwoord dat het begin van een bijvoeglijke bijzin inleidt en deze met het antecedent verbindt
die, dat, wie, wat

bezittelijk voornaamwoord
een voornaamwoord dat een bezitsrelatie uitdrukt
  • bijvoeglijk gebruikt
    mijn jas - uw boek
  • zelfstandig gebruikt
    dit is de mijne - daar ligt het uwe


bijstelling
een speciale bijvoeglijke bepaling die achter het zelfstandig naamwoord wordt geplaatst (altijd tussen komma`s) en daaraan een toegevoegde omschrijving geeft
Onze gymleraar, een echte tiran, vindt dat we harder moeten werken

bijvoeglijk naamwoord
woord dat bijzonderheden geeft over een zelfstandig naamwoord
een hoge boom - diamantharde boorkop

bijvoeglijke bepaling
een bepaling bij een zelfstandig naamwoord of zelfstandig voornaamwoord waarmee ze één geheel vormt; ze is dus nooit een zelfstandig zinsdeel maar maakt deel uit van een ander zinsdeel
De hond van de buurvrouw is overreden

bijvoeglijke bijzin
bijzin met de functie van een bijvoeglijke bepaling, hij is geen zelfstandig zinsdeel maar maakt deel uit van een ander zinsdeel
De vraag waar dit toe dient, kan ik niet beantwoorden
  • beperkende bijvoeglijke bijzin
    De man die dit probleem oplost, wordt beloond
  • uitbreidende bijvoeglijke bijzin
    Mijn zus Katrien, die gisteren jarig was, kreeg een nieuwe fiets


bijwoord
een woord dat het werkwoord nader bepaalt
enkele soorten:
  • graad: tamelijk, erg
  • modaliteit: kennelijk, mogelijk
  • plaats: hier, elders
  • tijd: dadelijk, nu


bijwoordelijke bepaling
een zinsdeel dat een nadere omschrijving geeft van de handeling die wordt uitgedrukt
De man wachtte op de stoep - Toen viel de jongen flauw

bijwoordelijke bijzin
een bijzin die de functie heeft van een bijwoordelijke bepaling
Toen iedereen was gaan zitten werd de vergadering geopend

bijzin
een zin die als zinsdeel voorkomt in een samengestelde zin; in een bijzin staat de persoonsvorm aan het einde
De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet
Volgens de functie die de bijzin heeft, kennen we:
onderwerpszin - gezegdezin - lijdend voorwerpszin - meewerkend voorwerpszin - voorzetselvoorwerpszin - bijvoeglijke bijzin - bijwoordelijke bijzin

comparatief
/> vergrotende trap

conjunctief
/> wijs

consonant
/> medeklinker

deelwoord
bijzondere vorm van het werkwoord
  • onvoltooid (tegenwoordig) deelwoord: stelt de handeling van het werkwoord voor als in gang zijnde
    een vallend blad
  • voltooid (verleden) deelwoord: stelt de handeling voor als reeds gebeurd
    een gevallen blad


enkelvoudige zin
/> zin

flexie
/> verbuiging

gebiedende wijs
/> wijs

genitief
naamval die een bezit of afhankelijkheid uitdrukt
Berts fiets - de naam des Vaders

genus
grammaticaal geslacht; zelfstandige naamwoorden worden in vormcategorieën ingedeeld die aanduiden hoe ze worden verbogen of hoe ze met lidwoorden en voornaamwoorden kunnen worden verbonden
Traditioneel telt het Nederlands drie geslachten, maar veel sprekers onderscheiden er nog maar twee: de-woord en het-woord (volgens hun combinatie met het lidwoord)

getal
de vorm van een woord die aangeeft of er sprake is van één of meer eenheden
  • enkelvoud: als er slechts één eenheid betrokken is
    kind - kijkt
  • meervoud: als het over meer eenheden gaat
    kinderen - kijken


grondwoord
een woord waarvan andere woorden worden gevormd door afleiding of samenstelling

hoofdtelwoord
/> telwoord

hoofdzin
een zelfstandige zin, die dus op zichzelf kan staan; meer hoofdzinnen kunnen worden verbonden tot één enkel samengestelde zin; in tegenstelling tot een bijzin staat de persoonsvorm op de gewone plaats, net na het onderwerp
Hij luistert naar muziek.
Zij speelt fluit maar hij speelt viool (2 hoofdzinnen)


hulpwerkwoord
een werkwoord waarvan de persoonsvorm samen met een zelfstandig werkwoord het werkwoordelijk gezegde vormt
  • van tijd: gebruikt om een voltooide (hebben, zijn) of toekomende (zullen) tijd te vormen
  • van lijdende vorm: gebruikt om het passief te vormen; worden, zijn
  • van modaliteit: om mogelijkheid, wenselijkheid of waarschijnlijkheid uit te drukken; kunnen, zullen, mogen, moeten, willen, laten, durven, dienen, behoren en (be)hoeven


imperatief
/> wijs

indicatief
/> wijs

inversie
wanneer de gewone volgorde (onderwerp - persoonsvorm) omgekeerd wordt
Kwam hij ook in aanmerking?

klinker
een spraakklank die in de mond wordt gevormd en waarbij de lucht niet wordt gestuit of onderbroken
  • gedekte klinker: wordt afgebroken door een medeklinker die erop volgt; stekker
  • lange klinker: geeft de indruk langer te duren dan andere; beer


koppelwerkwoord
een werkwoord dat een onderwerp verbindt met een gezegde; koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven

letter
een schriftteken dat we gebruiken om een klank of klankgroepje voor te stellen

lettergreep
een groepje klanken (een klinker gevolgd of voorafgegaan door één of meer medeklinkers) dat bij het spreken een eenheid vormt
  • gesloten lettergreep
    eindigt op een medeklinker
    kan-toor
  • open lettergreep
    eindigt op een klinker
    ka-baal


lidwoord
een woord dat als voorbepaling verbonden wordt met een zelfstandig naamwoord
  • bepaald lidwoord: de en het
  • onbepaald lidwoord: een


lijdend voorwerp
het zinsdeel dat de handeling ondergaat
Bert repareert de fiets

lijdende vorm
/> passief

medeklinker
een spraakklank waarbij de luchtstroom op een bepaalde manier wordt belemmerd
  • indeling volgens "stem"
    • stemhebbende medeklinker: met trilling van de stembanden
      b - d - g - v ...
    • stemloze medeklinker: zonder trilling van de stembanden
      p - t - h - f ...
  • indeling volgens articulatieplaats, o.a.
    • bilabiaal: gevormd met de twee lippen
      p - b
    • dentaal: gevormd met de tanden
      t - d 


meewerkend voorwerp
het zinsdeel dat participeert aan de handeling, meestal ingeleid door de voorzetsels aan of voor, die kunnen worden weggelaten
Geef het pakje aan mij - Geef het mij

morfeem
kleinste taalelement met een vaste vorm en een vaste betekenis
  • gebonden morfeem
    een morfeen dat niet op zichzelf kan voorkomen, maar alleen als onderdeel van een woord (dus: een affix)
    tafels - stoeltje - blauwig
  • vrij morfeem
    een morfeem dat als zelfstandig woord kan voorkomen (let op: morfeem <> lettergreep)
    tafel - stoel - blauw


naamval
bepaalde vormcategorie van een naamwoord die de syntactische functie van het naamwoord aangeeft. In het Nederlands worden naamvallen alleen nog voor voornaamwoorden gebruikt, in de meeste andere gevallen maakt de plaats in de zin duidelijk wat de functie van een woord is.
De bekendste naamvallen zijn de nominatief (onderwerpfunctie), de accusatief (lijdend voorwerpsunctie), de datief (meewerkend voorwerpfunctie) en de genitief (bezitsrelatie).

nomen
/> zelfstandig naamwoord

overtreffende trap
/> trappen van vergelijking

passief
een zin staat in de passieve vorm als het grammaticaal onderwerp samenvalt met het logisch voorwerp dat de handeling ondergaat, m.a.w. het lijdend voorwerp van de actieve zin wordt onderwerp van de passieve zin
De fiets werd gerepareerd door Bert

persoon
een vorm van voornaamwoord of persoonsvorm die verwijst naar de betrokken "partij"
Het Nederlands onderscheidt drie van dergelijke categorieën:
  • eerste persoon: de spreker(s); ik - wij
  • tweede persoon: de aangesprokene(n); jij - u - jullie
  • derde persoon: de buitenstaander(s); hij - zij - het - zij


persoonlijk voornaamwoord
een voornaamwoord dat naar een identificeerbare persoon (of zaak) verwijst
ik, jij ...

positief
/> stellende trap

prefix
/> voorvoegsel

pronomen
/> voornaamwoord

rangtelwoord
/> telwoord

samengestelde zin
/> zin

samenstelling
een woord dat is gevormd door het verbinden van twee of meer bestaande woorden
koel + kast > koelkast

stellende trap
/> trappen van vergelijking

substantief
/> zelfstandig naamwoord

suffix
/> achtervoegsel

superlatief
/> overtreffende trap

syntaxis
de zinsleer, de theorie die zegt hoe een correcte zin moet worden gevormd; belangrijk zijn o.m. de volgorde waarin de zinsdelen staan en hun vorm (verbuiging, vervoeging)

telwoord
een woord dat een aantal of rangorde aanduidt
  • hoofdtelwoord: aantal; drie, zeventien
  • rangtelwoord: rangorde; derde, honderdste


tijd
de vorm van het werkwoord die de uitgedrukte handeling situeert in de tijd (t.o.v. het ogenblik van spreken)
  • tegenwoordige tijd: presens; drukt "heden" uit, d.w.z. de gebeurtenis valt gelijktijdig met het spreekmoment
  • toekomende tijd: futurum; drukt "toekomst", d.w.z. de gebeurtens valt na het spreekmoment
  • verleden tijd: imperfectum; drukt "verleden" uit, d.w.z. de gebeurtenis valt voor het spreekmoment


tussenwerpsel
een uitroepend of geluidnabootsend woord dat als zin gebruikt kan worden maar niet verbonden kan worden met andere woorden of zinsdelen
Hallo, ben je al wakker? - Ach, het geeft niet.

verbuiging
de vormverandering die een naamwoord of voornaamwoord ondergaat onder invloed van genus, getal en naamval

vergrotende trap
/> trappen van vergelijking

vervoeging
de vormverandering die het werkwoord ondergaat onder invloed van persoon, getal, tijd en wijs

vocaal
/> klinker

voegwoord
een woord dat woorden, woordgroepen of zinnen verbindt
  • nevenschikkend voegwoord: verbindt gelijkwaardige woorden of zinnen
  • onderschikkend voegwoord: verbindt een hoofdzin met een bijzin


voornaamwoord


voorvoegsel
prefix; een morfeem dat voor een bestaand woord wordt geplaatst om een ander woord te vormen
bekijken - onmogelijk - intolerant

voorwerp
een zinsdeel dat personen of zaken aanduidt die nauw betrokken zijn bij de handeling die het werkwoord uitdrukt

voorzetsel
een woord dat samen met een zelfstandig naamwoord, of met een zelfstandig voornaamwoord of telwoord een bepaling vormt
de auto van de vertegenwoordiger (bijvoeglijke bepaling)
hij ging met de auto (bijwoordelijke bepaling)
hij kocht een auto voor haar (meewerkend voorwerp)
zij is trots op haar nieuwe auto (voorzetselvoorwerp)


voorzetselvoorwerp
een voorwerp dat wordt voorafgegaan door een voorzetsel dat vast verbonden is met een bepaald werkwoord
Hij stond niet stil bij die mogelijkheid

vragend voornaamwoord
een voornaamwoord dat vraagt om een nadere bepaling van een persoon of zaak
welke, wat, wie ...

wederkerend voornaamwoord
een voornaamwoord waarmee een (lijdend of meewerkend) voorwerp wordt aangeduid dat hetzelfde is als het onderwerp
Hij heeft zich gesneden - Ik heb mezelf geholpen

wederkerig voornaamwoord
een voornaamwoord dat aangeeft dat de relatie wederkerig is
Ze hebben elkaar nooit gezien

werkwoord
een woordsoort die een "doen", "zijn" of "worden" uitdrukt (vaak aangeduid als "handeling")

wijs
een vorm van het werkwoord die aanduidt hoe de zin zich volgens de spreker verhoudt tot de werkelijkheid, die m.a.w. de modaliteit uitdrukt
  • aantonende wijs: indicatief; om een werkelijkheid uit de drukken
    Het is stil
  • aanvoegende wijs: conjunctief; om een niet-werkelijkheid uit te drukken (wens)
    Moge het stil worden
  • gebiedende wijs: imperatief; om een bevel uit te drukken
    Wees stil


woordsoort
de woorden worden ingedeeld in categorieën, op basis van hun betekenis en hun gebruik (hoe ze in een zin kunnen voorkomen); we onderscheiden tien categorieën:
zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord - telwoord - werkwoord - lidwoord - voornaamwoord - bijwoord - voorzetsel - voegwoord - tussenwerpsel

zelfstandig naamwoord
nomen; substantief;

zin
een geheel van woorden dat qua syntaxis een afgrond geheel vormt, d.w.z. in principe met een onderwerp en een persoonsvorm; de zinsdelen moeten in een bepaalde volgorde staan en eventueel in een bepaalde vorm (verbuiging, vervoeging)zie ook /> bijzin, hoofzin
  • enkelvoudige zin: een zin met slechts één onderwerp en persoonsvorm
    Bert koopt een fiets
  • samengestelde zin: een zin die bestaat uit meer zinnen die verbonden zijn


zinsdeel
een woord of woordgroep die een syntactische functie heeft; we kennen volgende functies:
onderwerp, gezegde, voorwerpen en bepalingen