Deze woordenlijst staat niet meer onlineDe woordenlijst waar dit woord in stond bestaat niet meer, of de website is niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.
DNA DNA (de(s)oxyribosenucleïnezuur) is een stof die essentieel is voor het leven. DNA is opgebouwd uit twee strengen. Elke streng bestaat uit desoxyribose-ringen die door fosfaatgroepen aan elkaar gekoppeld zijn. Aan een desoxyribosering is een nucleïnebase (een ringvormige stikstofverbinding) gebonden. Men geeft deze stikstofbasen voor het gemak met een hoofdletter aan, zoals A(denine), G(uanine), C(ytosine) en T(hymine). Een base van een DNA-streng combineert met slechts één base van een tegenoverliggende streng. Zo bindt G uitsluitend met C en A met T. Het geheel neemt een spiraalvorm aan, de zogenaamde DNA dubbelhelix. RNA De opbouw van RNA (ribonucleïnezuur), is te vergelijken met die van DNA. Er zijn enige verschillen tussen de structuren van DNA en RNA. In RNA is de suikergroep ribose en niet desoxyribose. Verder bevat RNA de stikstofbase uracil in plaats van thymine. Tenslotte bestaat RNA slechts uit één enkele streng. Zie verder eiwitsynthese. Zie ook Binas 70F. alfa-aminozuur zie aminozuur aminozuur Aminozuren, in de regel witte vaste stoffen, zijn verbindingen met een aminogroep (-NH2) en een carbonzuurgroep (O=C-OH / -COOH). Bij deze aminozuren zit de aminogroep altijd aan het koolstofatoom naast de carbonzuurgroep (alfa-aminozuren). Aminozuren worden gevormd bij de volledige hydrolyse van eiwitten. Je kunt deze aminozuren (20 in getal) dus als de bouwstenen van eiwitten beschouwen. Bij het vermelden van een reeks aminozuren gebruik je vaak de afgekorte naam, bijvoorbeeld Gly voor glycine (amino-ethaanzuur). Soms is er zelfs een één lettersymbool. Zie ook Binas 67C amylose zie zetmeel amylum zie zetmeel biokatalysator zie enzym biologische afbreekbaarheid Een stof is biologisch afbreekbaar als die stof in de natuur afgebroken kan worden. Hierbij spelen bacteriën vaak een belangrijke rol. boodschapper-RNA Ook wel: messenger-RNA of m-RNA. Zie eiwitsynthese en RNA. cellulose Cellulose (ook wel: celstof) is een witte vaste stof. Het is een polysacharide (zie koolhydraat) met de formule (C6H10O5)n. Hierbij is n een heel groot getal. Cellulose is de bouwstof van de celwanden van planten en van materialen van plantaardige oorsprong. Cellulose wordt daarom ook wel celstof genoemd. Watten zijn opgebouwd uit zuivere cellulose. Papier, natuurlijk textiel en hout zijn voor een groot deel opgebouwd uit cellulose. De hydrolysevan cellulose levert, evenals de hydrolyse van zetmeel, uiteindelijk glucoseop. Cellulose verschilt van zetmeel in de manier waarop de glucosegroepen gekoppeld zijn. celstof zie cellulose chlorofyl Ingewikkelde ringverbinding met magnesium in het bladgroen van planten. Chlorofyl absorbeert zonlicht en speelt zodoende een essentiële rol bij de fotosynthese. chromosoom Structuur in de cel die bestaat uit DNA en eiwitten. Chromosomen spelen een hoofddrol bij de celdeling. codon zie eiwitsynthese condensatiepolymeer Een condensatiepolymeer is een polymeer dat gevormd kan worden door koppeling van relatief kleine moleculen. Bij deze koppeling ontstaat, behalve het polymeermolecuul, ook een zeer klein molecuul, meestal water. Condensatiepolymerisatie kun je dus als het omgekeerde van hydrolyse beschouwen. Bij biopolymeren als eiwitten, koolhydraten maar ook bij vetten wordt bij deze koppeling ook water gevormd. De koppeling is dan ook te beschouwen als het omgekeerde van hydrolyse. Aangezien de genoemde polymeren meer dan hun hydrolyseproducten in de natuur voorkomen, is hydrolyse van deze stoffen een belangrijker proces. de(s)oxyribonucleïne zuur zie DNA denatureren (van eiwit) Proces waarbij het eiwit uitvlokt doordat de tertiaire structuur wordt verbroken. desoxyribose Ringvormige verbinding met een O-atoom minder dan de suiker (koolhydraat) ribose. Desoxyribose is een bouwsteen van DNA. disacharide zie koolhydraat druivensuiker zie glucose eiwit Een eiwitmolecuul (andere woorden voor eiwit: proteïne of polypeptide) is een natuurlijk macromolecuul. In een eiwitmolecuul zijn duizenden groepen door middel van een peptidebinding (-CO--NH-) aan elkaar gekoppeld. Volledige hydrolyse van een eiwit geeft een groot aantal aminozuren. Aantal, soort en volgorde van de aminozuren is karakteristiek voor een bepaald eiwit. In de beschrijving van een eiwit geeft men een aminozuurgroep om practische redenen aan met de drieletterige afkorting van de alledaagse naam, bijvoorbeeld Gly voor glycine (= amino-ethaanzuur). Je noemt de volgorde van de aminozuren de primaire structuur van het eiwit. Hoe een eiwitketen is opgerold noem je de secundaire structuur. De tertiaire structuur wordt bepaald door de ordening van deze spiralen. Bij het denatureren van eiwitten wordt de tertiaire structuur afgebroken. Eiwitten zijn als voedingsstof en als opbouwstof absoluut onmisbaar voor het leven. eiwitsynthese De eiwitsynthese in de cel vindt plaats door middel van een serie uiterst ingewikkelde processen. Hierin spelen DNA en RNA een hoofdrol. Informatie in het DNA, vastgelegd in de volgorde van de nucleïnebasen, wordt eerst overgeschreven in het boodschapper-RNA (ook wel: messenger-DNA of m-DNA). Dat proces noem je transcriptie. Vervolgens wordt de informatie vertaald. Drie naast elkaar liggende basen (codon of triplet) in het boodschapper-RNA bepalen welk aminozuur in de groeiende peptideketen wordt ingebouwd. Dat proces (ook wel omschreven als 'codeert voor een bepaald aminozuur' of genetische code) noem je translatie. enzym Bij heel veel reacties in levende organismen is sprake van een katalysator. Je spreekt in die gevallen meestal niet van katalysator, maar gebruikt de term enzym. Je zou dus een enzym ook 'biokatalysator' kunnen noemen. Zonder enzymen zijn processen als ademhaling, ziekte-afweer en voedselvertering ondenkbaar. Enzymen zijn meestal eiwitten. De naam van een enzym is vaak afgeleid van de stof waarop het enzym werkzaam is. Zo noem je het enzym dat vetten (behorend tot de lipiden) afbreekt lipase. Zie verder sleutel-slot-hypothese. essentiële aminozuren Essentiële aminozuren zijn de acht aminozuren die niet door de mens gemaakt kunnen worden. Zij moeten dus in de voeding aanwezig zijn. ester Een ester is een verbinding die bij koppeling van qeen alcohol en een zuur ontstaat. Puur organische Esters zijn verbindingen met de karakteristieke groepfotosynthese De fotosynthese (ook wel: koolstofassimilatie) is één van de belangrijkste reacties op aarde. Bij de fotosynthese wordt in de groene plant glucose gemaakt uit de eenvoudige stoffen koolstofdioxide en water. Dit proces vindt plaats onder invloed zonlicht en chlorofyl. De reactievergelijking van de fotosynthese luidt: 6 CO2 + 6 H2O ---> C6H12O6 + 6 O2 De gevormde glucose wordt door de plant in een ander koolhydraat omgezet en opgeslagen. Merk op dat de omgekeerde reactie van de fotosynthese de verbranding van glucose is. Zie ook Binas 69. fructose Fructose (ook wel: vruchtensuiker) is een witte vaste stof. Fructose is een monosacharide met de molecuulformule C6H12O6. Het is dus een isomeer van glucose. De systematische naam van fructose is 1,3,4,5,6-pentahydroxy-2-hexanon. Deze naam suggereert een ketenverbinding. De ketenverbinding is echter in chemisch evenwicht met een ringverbinding die uiteraard dezelfde molecuulformule heeft. Daar die ringverbinding stabieler is, komt deze meer voor dan de ketenverbinding. Zie ook Binas 67A1 gen Een gen is een deel van het DNA dat de aminozuurvolgorde in het aan te maken eiwit bepaalt. Je zegt dan dat dat gen voor dat eiwit codeert. Vaak gebruikte algemene definitie: een gen is de drager van de erfelijke eigenschappen. Zie verder DNA en eiwitsynthese. genetische code De aminozuurvolgorde in het aan te maken eiwit wordt bepaald door de volgorde van de stikstofbasen in het RNA. Levende organismen hebben hiervoor een verdeelsleutel, de genetische code. De combinatie van de basen A, U en G levert in deze volgorde bijvoorbeeld altijd het aminozuur methionine op. Zie verder DNA en eiwitsynthese. Zie ook Binas 70E. gist C6H12O6 ----> 2 C2H6O + 2 CO2 De vergisting speelt een hoofdrol in de alcoholische drankenindustrie, zoals bij de bier- en wijnbereiding. glucose Glucose (ook wel: druivensuiker) is een witte vaste stof. Glucose is een monosacharide met molecuulformule C6H12O6. De systematische naam van glucose is 2,3,4,5,6-penthydroxyhexanal. Deze naam suggereert een ketenverbinding. De ketenverbinding is echter in chemisch evenwicht met een ringverbinding die uiteraard dezelfde molecuulformule heeft. Daar die ringverbinding stabieler is, komt deze meer voor dan de ketenverbinding. Glucose is een uiterst belangrijk koolhydraat. Het wordt in groene planten gemaakt door middel van fotosynthese. Zie ook Binas 67A1. glycerine zie glycerol glycerol De systematische naam voor glycerol (ook wel: glycerine) is 1,2,3-propaantriol. Het is een vrij zware olie-achtige vloeistof met de molecuulformule C3H8O3. Glycerol is een meervoudig alcohol, een molecuul bevat drie hydroxygroepen. Glycerol is een product bij de volledige hydrolyse van oliën en vetten. glyceryl Glyceryl (afgeleid van glycerol) is het alcoholgedeelte in een olie of vet. glycogeen Glycogeen is een vertakt polysacharide, zie verder koolhydraat. Zie ook Binas 67A3. helixstructuur Stoffen als eiwitten en nucleïnezuren hebben een helixstructuur: de keten is spiraalvormig opgerold. Hierbij spelen waterstofbruggen een belangrijke rol. hydrolyse Als een stof door een reactie met water gesplitst wordt in één of meer andere stoffen spreek je van hydrolyse. De ontstane stoffen bestaan dus opgebouwd uit kleinere moleculen. Belangrijk is de hydrolyse van eiwitten, van di- en polysachariden (zie koolhydraten) en van vetten. Hydrolyse van eiwitten geeft uiteindelijk aminozuren. Hydrolyse van di- en polysachariden geeft uiteindelijk monosachariden. Hydrolyse van vetten geeft glycerol en vetzuren. In levende organismen vindt hydrolyse in de regel onder invloed van enzymen plaats. joodwater Reagens op zetmeel, waarbij de geelbruine kleur van het joodwater verandert in blauwzwart. katalysator Stof die een reactie aanzienlijk versnelt (in een enkel geval: vertraagt) en na afloop van de reactie onverbruikt is. Een katalysator bij een biochemisch proces noem je meestal enzym. koolhydraat Koolhydraten (ook wel: suikers of sachariden) zijn witte, vaste stoffen. Hun algemene formule is CmH2nOn. De naam koolhydraat geeft het verkeerde idee dat hier sprake zou zijn van verbindingen tussen koolstof en water. Je onderscheidt monosachariden, disachariden en polysachariden. De bekendste monosachariden zijn ribose (C5H10O5), fructose (C6H12O6) en glucose (C6H12O6). Het bekendste disacharide is sacharose of sucrose (C12H22O11, riet/bietsuiker, dus onze 'keukensuiker'). Bij hydrolyse van sacharose ontstaan fructose en glucose. Als n een heel groot getal is, spreek je van polysachariden. De algemene formule van de polysachariden is (C6H10O5)n. Een polysacharidemolecuul is opgebouwd uit duizenden monosacharidegroepen met een ringstructuur. Bekende polysachariden zijn cellulose, glycogeen en zetmeel (= amylose). zij spelen een belangrijke rol bij de voeding. Zie ook Binas 67A. koolstofassimilatie zie fotosynthese lipide zie vet messenger-RNA Ook wel: m-RNA of boodschapper-RNA. Zie eiwitsynthese en RNA. monosacharide zie koolhydraat nucleotide Bouwsteen in DNA en RNA. Elk nucleotide is opgebouwd uit suikergroep, fosfaatgroep en een van vier stikstofbasen. nucleïnebase zie DNA nucleïnezuur zie DNA en RNA olie Oliën, althans de eetbare oliën, zijn esters die bij hydrolyse het alcohol glycerol en vetzuur geven. Bij oliën is dit vetzuur een onverzadigde verbinding. In het algemeen zijn oliën gezonder dan vetten. Door katalytische additie van waterstof (hydrering) aan oliën ontstaan vetten. Men noemt dit proces vetharding, in de regel is een olie namelijk vloeibaar en een vet vast. peptidebinding De kenmerkende groep (-CO-NH-) die de koppeling tussen de aminozuurgroepen in een eiwit tot stand brengt. polypeptide zie eiwit polysacharide zie koolhydraat primaire structuur zie eiwit proteïne zie eiwit ribonucleïnezuur zie RNA ribose Monosacharide met molecuulformule C5H10O5 (zie koolhydraat). De nucleïnezuren DNA en RNA bevatten een ribosegroep. sacharide zie koolhydraat sacharose Sacharose (C12H22O11, ook wel: riet- of bietsuiker) is het bekendste disacharide. Zie ook Binas 67A2. secundaire structuur zie eiwit stikstofbase zie DNA substraat Stof die tijdens een enzymatische reactie wordt omgezet. Zie verder sleutel-slot-hypothese. sucrose zie sacharose suiker zie koolhydraat tertiaire structuur zie eiwit transcriptie zie eiwitsynthese translatie zie eiwitsynthese triplet zie eiwitsynthese vergisting De oudste bekende biochemische reactie. Onder invloed van gistcellen wordt glucose afgebroken tot ethanol ('alcohol') en koolstofdioxide: verzeping De hydrolyse van een ester en dus ook van een vet (ester + water ---> alcohol + zuur) is een vrij langzaam en omkeerbaar proces. De splitsing van ester wordt bevorderd door base toe te voegen (ester + hydroxide ---> alcohol + zuurrest). Deze manier van splitsing noemt men verzeping, want zuurresten als C17H35COO- hebben reinigende werking. vet Vetten (behorend tot de lipiden) zijn esters die bij hydrolyse het alcohol glycerol en vetzuur geven. Bij vetten is dit vetzuur een verzadigde verbinding. In het algemeen zijn vetten minder gezond dan oliën. Door katalytische additie van waterstof (hydrering) aan oliën ontstaan vetten. Men noemt dit proces vetharding, in de regel is een olie namelijk vloeibaar en een vet vast. De splitsing van vet wordt bevorderd door base toe te voegen (vet + hydroxide ---> glycerol + zuurrestion). Deze manier van splitsting noemt men verzeping, want zuurresten als C17H35COO- hebben reinigende werking. Zie ook Binas 67B1. vetharding zie olie of vet vetzuur Hydrolyse van vet of olie levert glycerol en vetzuur. Een vetzuurmolecuul bevat de organische zuurgroep [XXstructuurformule zuurgroepXX] en een koolwaterstofgroep van 16-24 koolstofatomen. voedsel, verteren van het verteren van voedsel in het lichaam is een ingewikkeld proces dat hier niet uitgebreid behandeld kan worden. Hydrolyse in zuur milieu van eiwit, koolhydraat en vet speelt daarbij een belangrijke rol. zetmeel Zetmeel (ook wel: amylose of amylum) is een witte vaste stof. Voedingsmiddelen als aardappelen, rijst en pasta bestaan voor een groot deel uit zetmeel. Het is een polysacharide (zie koolhydraten) met de formule (C6H10O5)n. Hierbij is n een heel groot getal. De hydrolyse van zetmeel levert, evenals de hydrolyse van cellulose, uiteindelijk glucose op. Zetmeel verschilt van cellulose in de manier waarop de glucosegroepen gekoppeld zijn. Zeer kleine hoeveelheden zetmeel kun je al aantonen met joodwater. Joodwater bij zetmeel geeft een donkere verkleuring, variërend van donkerbruin, donkerblauw tot zwart. Zie ook Binas 67A3. | ZoekTyp een term en klik op `Zoek`.Online taaltestDe NTR, de VPRO, de Universiteit Gent en Canvas hebben een wetenschappelijk onderzoek naar Taal opgezet en doen dit door middel van een online taaltest. Hoeveel woorden ken jij?
Recent gezochtDe laatste zoekopdrachten. Tussen haakjes staan resp. de resultaten en verwante resultaten.• De Klassieker (1/0) • Eugène Lücker (1/0) • katoenvezel (2/0) • Sym fonie (14/25) • vermakelijkheid (1/1) • steungeld (1/0) • mieren neuker (3/0) • Anthophora argyrospila (1/0) • tijd aanduiding (2/0) • Parenchym (16/5) • INGEHAAKT (1/0) • Jan Hazelhorst (1/0) • treknet (3/0) • LEONNELLO (1/0) • valnet (1/0) • Provoost (13/3) • SANGUIS (4/11) • zuiver (12/25) • herijken (1/0) • Jaro (3/25) • Panden (5/2) • exceptie (7/6) • tamponnade (2/0) • duimzuigerij (1/0) |
|||||||||||||||||||||
| © Encyclo MMXII | Contact | Privacy | Woorden toevoegen | ||||||||||||||||||||||