Kopie van `ABC van de cytologie`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


ABC van de cytologie
Categorie: Planten en dieren > Cellen
Datum & Land: 07/10/2007, NL
Woorden: 29


Amitose
directe celdeling, kern groeit snel en snoert zich zo sterk in dat twee delen ontstaan. Deze afzonderlijke cellen zijn identiek aan de bronvel. Komt voor bij eencellige wezens bijv. bacteriën en witte bloedlichaampjes.

Cel
de kleinst bouwsteen van het lichaam. Heeft ieder levend wezen.

Celfysologie
omschrijving van taken en functies van de cel. bijv.
-vermogen tot stofwisseling (komt energie vrij )
-vermogen tot voortplanting door de celdeling. bv. 1 cel-2-4-8 cellen enz.
-vermogen tot beweging bv. zaadcel, spiercel, witte bloedlichaampjes.
-vermogen tot specialisatie bv. het ontstaan van diverse weefsels.

Celmembraan
celwand, heeft 2 dunne wanden van vet en eiwitmoleculen, regelt de opwekking van de energie, aanvoer van brandstof en zuurstof, en afvoer van afvalstoffen.

Celorganen of celorganellen
hierin wordt het werk gedaan waarvan de opdracht komt vanuit de kern; centriolen, mitochondriën, lysosomen, ribosomen, colgi apparaat, endoplasmatisch reticulum

Celtussenstof
intercellulaire stof, bestaat uit eiwitten ( callogeen en elastine ) en mineralen (calcium en fosfor) belangrijk bij weefselvorming

Centriolen
poollichaampjes in de cel noord/zuid. Deze nemen de leiding bij de celdeling.

Centromeer
middelpunt van de dubbele chromosomen.

Centrosomen
2 centriolen noord en zuid voor de celdeling.

D.N.A.
desoxirobose-nucleïd-acid. Chemische naam voor chromosomen.

Epitheel Klieren
Als de cellen van het dekepitheel in het onderliggende bindweefsel ingroeien spreken we van kierepitheel. Het basaalmembraan blijft om de kliercel liggen en is van belang bij de secretie (het afgeven van (hormoon) stoffen ) die de klieren maken.

Epitheel weefsel
Is een afdek/afwerk weefsel. Onder te verdelen in;
-----dekepitheel dient als afdeklaag (huid) voor alles wat met de buitenlucht in aanraking komt. Dus ook de binnenkant van de ademhaligsorganen en spijsvertering.
---- Zijn ronde cellen en hechten zich aan een vlies (basaalmembraan) Beschermen
---- op deze manier `t bindweefsel voor invloeden van buitenaf. Longen, darmen en
---- bloedvaten zijn (van binnen) bekleed met dit weefsel.

Equatoriale vlak
horizontale onzichtbare lijn op of onder de 78 chromosomen.
Scheidingslijn bij 39 alleenstaande chromosomen bij geslachtscel.

Golgi apparaat
afvoersysteem, zorgt voor afvoer van de afvalstoffen bij verbrandingsproces van de mitrochodriën. Opslag voor vacuolen (holtes). Afvoer voor slijm producerende cellen bv neusslijmvlies en maagslijmvlies. Hierin ontstaan ook de lysosomen.

Ionen
opgeloste zouten bv magnesium, chloor, kalium, calcium.

Nucleïnezuren
samenstelling van purine en stikstofbasen.
Het nucleïnezuur heeft het vermogen om zichzelf te reproduceren!

Nucleolus
kernlichaampje van de chromatine korrel.

Nucleus
celkern. Bepaald hoeveel, wanneer en waarvoor energie nodig is. Zit in cytoplasma als een soort 2de cel.

Orgaan
bestaat uit verschillende weefsels. Is een deel van het lichaam met een bepaalde taak en functie.

Orgaanstelsel
meerdere organen samen die een taak in het lichaam verrichten.

Osmose
Beweging die water naar de plek stuurt met de hoogste zoutconcentratie.
(een natuurlijk verschijnsel, kost geen energie).

R.N.A.
ribose-nucliëd-acid. De lezer van de eiwitten of boodschappen eiwit. Brengt eiwit boodschappen lijstje van D,N.A. over op een nieuwe cel.

Semi-permeable wand
water mag passeren, andere stoffen worden tegengehouden. Watertransport is afhankelijk van zoutconcentraties, want water gaat naar de plaats met de grootste zoutconcentratie.

Spierweefsel
langgerekte spiercellen met plasmadraden of fibrillen (draden die kunnen samentrekken of ontspannen) deze liggen in de lengterichting van de cel. Hierdoor ontstaat bij aanspannen, spieractiviteit.

Uream
amoniak en zuurstof, wordt via de nieren naar buiten gewerkt

Weefsel
meerdere groepen cellen (met celtussenstof) van gelijke vorm en functie.

Weefselstructuur
verhouding en concentraties van de celtussenstof, dit wordt samen met de celvorm bepaald.
Steunweefsel stervormige cel; heeft de taak het lichaam te steunen, zoals ook het;
·1 bindweefsel = is soepel (calcium/fosforgehalte is laag) door vrij zachte celtussenstof, en stevige verbinding tussen diverse organen.
·3 Kraakbeen = weefselstructuur celtussenstof is veerkrachtig en stevig (calcium/fosfor gehalte is hoger).
·4 been = stervorm cellen die dicht bij elkaar liggen. Celtussenstof is hard (calcium /fosfor gehalte is hard).
Vetweefsel = wordt ondergebracht in steunweefsel, in celvorm echter wijkt de vetcel af van de overige steunweefsels. Het zijn min of meer ronde cellen, maar zijn vetopslag (vacuolen) binnen het celmembraan geeft hem toch het recht op een apart plaatsje onder deze noemer. De hoeveelheid kitstof bepaald de hardheid.
Zenuwweefsel = de cellen hebben meerdere korte of langere uitlopers (dendrieten of neudrieten) om zenuwprikkels door te geven of op te vangen.
Epitheelweefsel = een afdek/afwerk weefsel. Onder te verdelen in;
-----dekepitheel = afdeklaag voor alle huid die in aanraking komt met de buitenlucht.
---- Zijn ronde cellen en hechten zich aan een vlies (basaalmembraan) Beschermen
---- op deze manier `t bindweefsel voor invloeden van buitenaf. Longen, darmen en
---- bloedvaten zijn (van binnen) bekleed met dit weefsel.
Klierepitheel = als de cellen van het dekepitheel in het onderliggende bindweefsel ingroeien spreken we van kierepitheel. Het basaalmembraan blijft om de kliercel liggen en is van belang bij de secretie (het afgeven van (hormoon) stoffen ) die de klieren maken.
Tandemaille = eigenlijk geen weefsel omdat deze een afscheidingsproduct is van cellen, is dan ook keihard. Calcium/fosfor/fluor gehalte van 90%
Bloed = ook een weefselvorm met zijn vele cellen, maar deze worden niet omgeven door een vlies of membraan, en bovendien vloeibaar is.

Zenuwweefsel
De cellen hebben meerdere korte of langere uitlopers (dendrieten en neudrieten) om zenuwprikkels door te geven of op te vangen.

Zygote
bevruchte eicel.