struikelen, tjaffelen (zie ald.) - Voorbeeld: ‘Jan voelde zijn benen van flauwte begeven en telkens hij struikelde, mompelde hij woorden om zijn tjaamelen te verontschuldigen’ (Langs Wegen 186) Gevonden op https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0022.php