de duit zelfst.naamw. (m.) Uitspraak: [ dœyt ] Afbreekpatroon: du·it Verbuigingen: duiten (meerv.) munt met weinig waarde geen rooie duit hebben (helemaal geen geld hebben) een duit in het zakje doen (ook nog iets zeggen als anderen daarover al iets gezegd hebben) Synoniem: meepraten Synoniemen: cent Spreekwoorden en zegswijzen • ee... Gevonden op https://woorden.org/woord/duit
[Let op: Spelling en uitleg uit 1890] het algemeen bekende en sedert 1700 enige koperen muntstuk, daar het de penningen en de oortjes lang overleefde, rekent als het achtste deel van een stuiver zijn bestaan van de 16e eeuw tot lang na de invoering der centen, n.l. tot omstr. 1840. In Indië bestaat hij nog onder de inland... Gevonden op https://dbnl.org/tekst/beer004woor01_01/beer004woor01_01_0008.php
munt van vroeger vb: de ridder droeg een zak met duiten ik heb geen rooie duit meer [geen geld meer] dat kost een aardige duit [vrij veel geld] een duit in het zakje doen [meepraten] een slordige duit kosten [vrij veel] Gevonden op https://mowb.muiswerken.nl/
• [numismatiek] een Nederlandse munt van vóór het begin van de negentiende eeuw, een honderdzestigste deel van een gulden. • [numismatiek Gevonden op https://nl.wiktionary.org/wiki/duit