griezelen werkw. Uitspraak: [ 'xrizələ(n) ] Afbreekpatroon: grie·ze·len Vervoegingen: griezelde (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: heeft gegriezeld (volt.deelw.) rillingen hebben van angst of afkeer Voorbeeld: 'lekker griezelen in de achtbaan' griezelen van ... (... erg eng vinden) 'griezelen van grote spinnen' Zie ook: griezel Synoniem... Gevonden op https://woorden.org/woord/griezelen