korten werkw. Uitspraak: [ ˈkɔrtə(n) ] Afbreekpatroon: kor·ten Vervoegingen: kortte (verl.tijd enkelv.) 1) (iemand) minder geven dan eerder Vervoegingen: heeft gekort (volt.deelw.) Voorbeelden: 'iemand korten op zijn uitkering' , 'het korten van hulp aan ouders met een invalide kind' 2) korter worden Vervoeginge... Gevonden op https://woorden.org/woord/korten
een touw, staaldraad of ketting, door hieuwen of inpalmen of door het leggen van één of meerdere knopen of steken een stukje korter maken. Zie ook opkorten . Gevonden op https://www.binnenvaarttaal.nl/zoek.php?woord=korten