de panne zelfst.naamw. (m./v.) Uitspraak: [ ˈpɑnə ] Afbreekpatroon: pan·ne technisch probleem met een motorvoertuig waardoor je niet verder kunt rijden Synoniem: pech Synoniemen: pech Spreekwoorden en zegswijzen • een panne tje lusten (=een borrel lusten) Naar de spreekwoorden Gevonden op https://www.woorden.org/woord/panne
1.pan, komvormige laagte, inz. duinvallei (VD: pan 114) 2.uitdr.: Voorbeeld: ‘de panne schudden’: pannekoeken bakken Voorbeeld: ‘Maar verwacht er u niet aan dat de panne er geschud wordt of gij er gebrande jenever te zuipen krijgt! Ik ga naar 't stalletje waar 't kind geboren wordt, bij een luisarme Djosep-en-Maria...’ Gevonden op https://www.dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0019.php
Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 vierkant of langwerpig plaatje ijzer, met vijzen over de onderlooperbosse vastgemaakt, hebbende in 't midden eene ronde opening, om den ijzeren duim van den onderlooper in te draaien.
Gevonden op https://www.encyclo.nl/lokaal/10742