pulseren werkw. Uitspraak: [ pʏl'serə(n) ] Afbreekpatroon: pul·se·ren Vervoegingen: pulseerde (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: heeft gepulseerd (volt.deelw.) 1) kloppen van het hart medisch Voorbeeld: 'In het suizen van mijn oren hoor ik het pulseren van mijn hart.' 2) regelmatig af -en toenemen van ele... Gevonden op https://woorden.org/woord/pulseren
kloppen Ook in de vorm van het als bijvoeglijk naamwoord gebruikte tegenwoordig deelwoord. een regelmatig wisselende beweging of ritmiek hebben; heen en weer of op en neer golven; ritmisch uitzetten en weer samentrekken Vaak in de vorm van het als bijvoeglijk naamwoord gebruikte tegenwoordig deelwoord. periodiek uitzetten en weer inkrimpen Vaak in ... Gevonden op https://anw.ivdnt.org/article/pulseren