zegenen werkw. Uitspraak: [ ˈzexənə(n) ] Afbreekpatroon: ze·ge·nen Vervoegingen: zegende (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: heeft gezegend (volt.deelw.) de zegen geven Voorbeeld: 'De vader zegende zijn kinderen voor hun vertrek.' gezegend zijn met een goede gezondheid (in het gelukkige bezit zijn van een goede gezondheid) Zie ook: zege... Gevonden op https://woorden.org/woord/zegenen
in: Voorbeeld: ‘te zegenen gaan’: zich laten zegenen met een relikwie (Te) - Voorbeeld: ‘Aan de offerande werd Alberts aandacht gewekt door de opstappende parochianen die te zegenen gingen’ Gevonden op https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0026.php
Het inwijden of heiligen met een heilige rite; ook het bidden om God`s gunsten voor iemand. Categorie: Functionele activiteiten > religieuze functies. Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10491