Kopie van `ABC van de Cytologie`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.
Categorie: Medisch > Cytologie
Datum & Land: 20/10/2007, NL
Woorden: 74


Amitose
directe celdeling, kern groeit snel en snoert zich zo sterk in dat twee delen ontstaan. Deze afzonderlijke cellen zijn identiek aan de bronvel. Komt voor bij eencellige wezens bijv. bacteriën en witte bloedlichaampjes.

A.T.P
adenosine tri-phosfaat.

A.M.P.
adenosine mono-phosfaat.

A.D.P.
adenosine di-phosfaat.

Callogeen en elastine
Eiwitten, deze zitten in het celtussenstof-intercellulaire stof.

Centrosomen
2 centriolen noord en zuid voor de celdeling.

Centromeer
middelpunt van de dubbele chromosomen.

Centriolen
poollichaampjes in de cel noord-zuid. Deze nemen de leiding bij de celdeling.

Celtussenstof
intercellulaire stof, bestaat uit eiwitten ( callogeen en elastine ) en mineralen (calcium en fosfor) belangrijk bij weefselvorming

Celorganen of celorganellen
hierin wordt het werk gedaan waarvan de opdracht komt vanuit de kern; centriolen, mitochondriën, lysosomen, ribosomen, colgi apparaat, endoplasmatisch reticulum

Celmembraan
celwand, heeft 2 dunne wanden van vet en eiwitmoleculen, regelt de opwekking van de energie, aanvoer van brandstof en zuurstof, en afvoer van afvalstoffen.

Celfysologie
omschrijving van taken en functies van de cel. bijv.
-vermogen tot stofwisseling (komt energie vrij )
-vermogen tot voortplanting door de celdeling. bv. 1 cel-2-4-8 cellen enz.
-vermogen tot beweging bv. zaadcel, spiercel, witte bloedlichaampjes.
-vermogen tot specialisatie bv. het ontstaan van diverse weefsels.

Cel
de kleinst bouwsteen van het lichaam. Heeft ieder levend wezen.

Chromosomen
eiwitketens en dragers van alle erfelijke eigenschappen (niet zichtbaar) Niet het chromosoom zelf bepaald de erfelijke factor, maar de volgorde waarin de stikstofbasen liggen.

Chromatinekorrel
kleurstofkorrels van de chromosomen, 2 van deze korrels zijn groter dan de rest en zijn wel zichtbaar.

Chromatine
kleurstof.

Chromatiden
chromosomen helft. (trekdraden trekken de chromosomen, langs de glijdraden, naar de pool-centriool naar één kant van de cel.

Cytoplasma of celplasma
waterachtige vloeistof die tussen de celmembraan en kernmembraan in zit, hierin zitten voedingsstoffen, celorganen, celorganellen, en helpen met het maken van stofwisseling.

Dendrieten en neurieten
lange of korte uitlopers van de zenuwweefsels, bv. om de zenuwprikkels op te vangen of door te geven

Dé-spiralisatie
De chromosoomspiralen dé-spiraliseren na een van de drie de deling.

Diploïd en Haploïd
Haploïd alleenstaande cel aangeduid met n, Diploïd chromosomenpaar aangeduid met 2n.

Diffusie
transport van vetoplosbare vitamines door beide laagjes vetmoleculen van de celmembraan.

D.N.A.
desoxirobose-nucleïd-acid. Chemische naam voor chromosomen.

Endocytose verschijnsel
celmembraan beweegt en kleine vaste of vloeistofdeeltjes omsluiten zich, en wordt vervolgens naar binnen gedrukt, om als kleine holte het cytoplasma in te stuwen.

Endocytose en pinocytose
vloeistoffen die in de holtes liggen van het cytoplasma.

Endocytose en fagocytose
vaste stoffen die in de holtes liggen van het cytoplasma.

Endo plasmatisch reticulum
afweer van ziektekiemen en bacteriën; netwerk van membraanstructuren in cytoplasma.
EPR (ruw ) = met ribosomen. Hier worden eiwitmoleculen samen gesteld.
EPR (glad) = zonder ribosomen. Buisvormige vacuolen ( blaasjes) vormt vetten en vetachtige stoffen.

Epitheel weefsel
Is een afdek-afwerk weefsel. Onder te verdelen in; dekepitheel dient als afdeklaag (huid) voor alles wat met de buitenlucht in aanraking komt. Dus ook de binnenkant van de ademhaligsorganen en spijsvertering. Zijn ronde cellen en hechten zich aan een vlies (basaalmembraan) Beschermen op deze manier `t bindweefsel voor invloeden van buitenaf. Longen, darmen en bloedvaten zijn (van binnen) bekleed met dit weefsel.

Epitheel Klieren
Als de cellen van het dekepitheel in het onderliggende bindweefsel ingroeien spreken we van kierepitheel. Het basaalmembraan blijft om de kliercel liggen en is van belang bij de secretie (het afgeven van (hormoon) stoffen ) die de klieren maken.

Equatoriale vlak
horizontale onzichtbare lijn op of onder de 78 chromosomen. Scheidingslijn bij 39 alleenstaande chromosomen bij geslachtscel.

Exocytose
holtes of blaasjes, kunnen met de celmembraan samensmelten waarbij stoffen buiten de cel uitgestort kunnen worden, bv melk wordt vrijgemaakt uit de cellen die melk maken in de uier.

Fibrillen of plasmadraden
draden die samentrekken of ontspannen bv spieren.

Ganglioncel
hulpcel van de zenuw.

Glij & trekdraden
2 soorten draden vanuit de centriolen naar het equatoriale vlak.

Golgi apparaat
afvoersysteem, zorgt voor afvoer van de afvalstoffen bij verbrandingsproces van de mitrochodriën. Opslag voor vacuolen (holtes). Afvoer voor slijm producerende cellen bv neusslijmvlies en maagslijmvlies. Hierin ontstaan ook de lysosomen.

Intercellulaire vocht
celtussenstof brengt voedingsstoffen en zuurstof naar de botcellen. Bestaat uit eiwitten (callogeen en elastine) en mineralen (calsium en fosfor) belangrijk bij weefselvorming.

Ionen
opgeloste zouten bv magnesium, chloor, kalium, calcium.

Katabolisme
celstofwisseling-en verbranding. Metabolisme = stofwisseling in cytoplasma.

Kernplasma
vloeistof zit in de celkern, hierin bevinden zich de chromosomen, chromatine korrels, en kernlichaam.

Kernmembraan
celwand om de celkern.(dubbelwandig).

Lichaampje van Barr
Alleen bij vrouwen voorkomende vergrote chromatinekorrel de zogenaamde sexchromatine. Aan cellen uit speeksel van sportvrouwen kan men zien of hormonen gebruikt zijn.

Lysosomen
(vacuolen) Deze ligt in cytoplasma en leveren diverse verteringsstoffen voor de mitochrondiën. Bevatten enzymen.

Metabolisme
stofwisseling in het cytoplasma.

Membraan
vlies.

Meiose of reductiedeling
indirecte celdeling of verminderen en terugbrengen tot de helft. Er wordt niet gedeeld maar verdeeld

Mitose
indirecte celdeling. cellen vermeerden zich, na deze deling moet de andere helft daarvan absoluut gelijk zijn.

Mitochrondiën
stofwisseling. Zorgt voor bruikbare energie, en dat voedingsstoffen ( glucose, eiwitten en vetzuren) met hulp van zuurstof ( via bloed) wordt omgezet in bruikbare energie voor bv groei, temperatuur en actie.

Neutrale lijst
cellen die in het overgangsgebied zitten.

Neudrieten en dendrieten
lange of korte uitlopers van de zenuwcel.

Nucleus
celkern. Bepaald hoeveel, wanneer en waarvoor energie nodig is. Zit in cytoplasma als een soort 2de cel.

Nucleolus
kernlichaampje van de chromatine korrel.

Nucleïnezuren
samenstelling van purine en stikstofbasen. Het nucleïnezuur heeft het vermogen om zichzelf te reproduceren!

Orgaanstelsel
meerdere organen samen die een taak in het lichaam verrichten.

Orgaan
bestaat uit verschillende weefsels. Is een deel van het lichaam met een bepaalde taak en functie.

Osmose
Beweging die water naar de plek stuurt met de hoogste zoutconcentratie. (een natuurlijk verschijnsel, kost geen energie).

Plasmadraden of fibrillen
draden die samentrekken of ontspannen bv spieren.

Protoplasma
totale celinhoud;.dus cytoplasma en celkern.

Reproductie
De enkelvoudige chromatide maakt er precies dezelfde spiraal bij, zodat elk chromosoom weer uit een dubbele spiraal bestaat. Het nucleïnezuur heeft dus het vermogen om zichzelf te reproduceren!

Reductiedeling of meiose
indirecte celverdeling of verminderen en terugbrengen tot de helft. Hierbij wordt niet gedeeld maar verdeeld.

Ribosomen
opbouw (specifiek) lichaamseigen eiwit. Zijn kleine bolletjes aan de cytoplasmazijde.

R.N.A.
ribose-nucliëd-acid. De lezer van de eiwitten of boodschappen eiwit. Brengt eiwit boodschappen lijstje van D,N.A. over op een nieuwe cel.

Semi-permeable wand
water mag passeren, andere stoffen worden tegengehouden. Watertransport is afhankelijk van zoutconcentraties, want water gaat naar de plaats met de grootste zoutconcentratie.

Spierweefsel
langgerekte spiercellen met plasmadraden of fibrillen (draden die kunnen samentrekken of ontspannen) deze liggen in de lengterichting van de cel. Hierdoor ontstaat bij aanspannen, spieractiviteit.

Stikstofbasen
de volgorde waarin de stikstofbasen gerangschikt zijn bepalen de erfelijke eigenschap

Steunweefsel
stervormige cel; heeft de taak het lichaam te steunen, zoals ook het; ·1 bindweefsel = is soepel (calcium-fosforgehalte is laag) door vrij zachte celtussenstof, en stevige verbinding tussen diverse organen.·2 Kraakbeen = weefselstructuur celtussenstof is veerkrachtig en stevig (calcium-fosforgehalte is hoger).·1 been = stervorm cellen die dicht bij elkaar liggen. Celtussenstof is hard (calcium-fosforgehalte is hard).

Structuureiwitten
bouwstoffen in cellenweefsel (luie) en functionele eiwitten; enzymen die het lichaamseigen voor het grootste deel zelf bepalen (actieve)

Tandemaille
Valt onder de weefsels, maar is eigenlijk geen weefsel omdat het een afscheidingsproduct is van cellen, is dan ook keihard. Calcium-fosfor-fluor gehalte van 90%

Trekdraden, glijdraden
2 soorten draden vanuit de centriolen naar het equatoriale vlak.

Uream
amoniak en zuurstof, wordt via de nieren naar buiten gewerkt

Vetweefsel
wordt ondergebracht in steunweefsel, in celvorm echter wijkt de vetcel af van de overige steunweefsels. Het zijn min of meer ronde cellen, maar zijn vetopslag (vacuolen) binnen het celmembraan geeft hem toch het recht op een apart plaatsje onder deze noemer. De hoeveelheid kitstof bepaald de hardheid.

Weefselstructuur
verhouding en concentraties van de celtussenstof, dit wordt samen met de celvorm bepaald.

Weefsel
meerdere groepen cellen (met celtussenstof) van gelijke vorm en functie.

Zenuwweefsel
De cellen hebben meerdere korte of langere uitlopers (dendrieten en neudrieten) om zenuwprikkels door te geven of op te vangen.

Zygote
bevruchte eicel.