Kopie van `De Kern van de Economie`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.
Categorie: Economie en financiën > Economische begrippen
Datum & Land: Ec/on/omie, NL
Woorden: 219


Aanbodfactoren
De grootheden die de omvang van de productiecapaciteit bepalen. De aanbodfactoren zijn de omvang en kwaliteit van de kapitaalgoederenvoorraad, de omvang en kwaliteit van de beroepsbevolking, de omvang en kwaliteit van de natuurlijke hulpbronnen en de technische ontwikkeling.

Accijns
Een indirecte belasting. Het is in principe een instrument van de overheid om de consumptie af te remmen, aangezien het wordt geheven op goederen die een schadelijke werking hebben, maar is eveneens een belangrijke bron van inkomsten.

Afschrijvingen
Waardeverminderingen van de vaste kapitaalgoederen. Macro-economisch zijn de afschrijvingen gelijk aan de vervangingsinvesteringen. Jaarlijks wordt een bedrag gereserveerd om na zekere tijd een vast kapitaalgoed te kunnen vervangen. In bepaalde gevallen (in de praktijk) kan ook worden afgeschreven op vlottende kapitaalgoederen, wanneer deze als han

Afgeleide productiefactor
Kapitaal. Dit is oorspronkelijk niet aanwezig en moet dus eerst gemaakt worden met de oorspronkelijke productiefactoren natuur en arbeid, en met behulp van reeds eerder geproduceerde kapitaalgoederen.

Alternatief aanwendbaar
De middelen kunnen voor verschillende doeleinden gebruikt worden. We moeten vanwege schaarste kiezen hoe ze worden ingezet.

Anti-cyclische begrotingspolitiek
Overheidsbeleid dat gericht is op het dempen van de conjunctuurgolven. De overheid moet dan in tijden van hoogconjunctuur de effectieve vraag verminderen door haar uitgaven te matigen of de belastingdruk te verhogen en vice versa. Dit beleid is gebaseerd op de theorie van Keynes.

Arbeidsproductiviteit
De productie van een werknemer per tijdseenheid. Zie gemiddelde arbeidsproductiviteit.

Arbeidsinkomensquote
De loonsom in de ondernemingen en financiële instellingen plus het toegerekend arbeidsinkomen van de zelfstandigen als percentage van de netto toegevoegde waarde van de ondernemingen en financiële instellingen.

Arbeid
De mens als productiefactor. Het is een oorspronkelijke productiefactor, waarvan de kwaliteit door veel zaken bepaald wordt, zoals scholing. Zie ook loon.

Asymmetrische informatie
Houdt in dat in een economische transactie de ene partij meer informatie heeft dan de andere partij. Zie moral hazard en negatieve selectie.

Autonoom
Onafhankelijk (van het nationaal inkomen). De autonome consumptie, investeringen en overheidsbestedingen zijn onafhankelijk van het nationaal inkomen. In de vergelijking C = cY + Co is Co de autonome consumptie. Autonome grootheden zijn altijd exogene grootheden.

Automatisering
De productiefactor arbeid wordt vrijwel volledig vervangen door kapitaal, zelfs op het terrein van het besturen en controleren van het productieproces.

Basisjaar
Grondslag bij de berekening van indexcijfers. Een grootheid wordt in het basisjaar op 100 gesteld. Doordat de koopgewoonten veranderen - bijvoorbeeld door introductie van nieuwe producten - veranderen de wegingsfactoren. Wanneer de afwijking te groot wordt, kiest men een nieuw basisjaar.

Basisinnovaties
Technologische doorbraken die breed worden toegepast. Volgens Schumpeter zijn ze een verklaring voor de lange golf.

Baisse
Periode van laagconjunctuur. Zie recessie.

Bestedingsinflatie
Een stijging van het algemeen prijsniveau door overbesteding. Zie loon-prijsspiraal.

Bestedingsevenwicht
De effectieve vraag is zo hoog dat de productiecapaciteit precies volledig is bezet. Er is geen sprake meer van conjuncturele werkloosheid, maar er kan nog wel sprake zijn van structurele werkloosheid.

Bestedingsaspect van investeringen
Door een besluit om te investeringen neemt de effectieve vraag toe. De producenten van kapitaalgoederen kunnen meer machines, gebouwen of transportmiddelen verkopen en zullen, als hun capaciteit dat toelaat, meer gaan produceren. Dit bestedingsaspect van de investering gaat aan het capaciteitsaspect vooraf.

Bestedingenmethode
Een manier om de hoogte van het nationaal inkomen te meten. Men kijkt dan naar de batenkant van de ondernemingen, waar de bestedingen van de consumenten en de ondernemingen bij de ondernemingen staan vermeld. In feite wordt gebruik gemaakt van de identiteit Y = C + I + O + E - M.

Besparingen
Het gedeelte van het nationaal inkomen dat niet voor consumptie of belasting is aangewend.

Beroepsbevolking
Het deel van de totale bevolking in de leeftijd tussen de 15 en de 65 jaar, dat tenminste 12 uur per week kan en wil werken. We maken onderscheid tussen de afhankelijke beroepsbevolking, de werknemers en werklozen, en de niet-afhankelijke beroepsbevolking, de zelfstandige ondernemers.

Belastinglek
Zie inkomenslekken.

Belastingen
Door de overheid opgelegd aan belastingplichtigen, zonder dat er een directe tegenprestatie van de overheid tegenoverstaat.

Behoeften
De mens streeft ernaar in deze te voorzien.

Bezettingsgraad
Het percentage dat aangeeft in hoeverre de productiecapaciteit wordt benut.

Bewegingstypen in de macro-economie
De seizoenbeweging, de conjunctuur, de trend en de lange golfbeweging.

Breedte-investeringen
Een ondernemer schaft machines aan van een type dat al bij de onderneming in gebruik is. De verhouding tussen kapitaal en arbeid blijft gelijk.

Bruto-investeringen
Alle investeringen van een onderneming, inclusief vervangingsinvesteringen.

Bruto toegevoegde waarde
De marktwaarde van de productie (omzet) minus de kosten van de grond- en hulpstoffen en de diensten van derden. Zie netto toegevoegde waarde.

Bruto nationaal product (BNP)
Het BNP van een land heeft betrekking op de toegevoegde waarde gecreëerd door productiefactoren die eigendom zijn van de burgers en overheid van dat land. Het is gelijk aan het bruto binnenlands product (BBP) minus de primaire inkomens betaald aan buitenlanders plus de primaire inkomens van de burgers ontvangen uit het buitenland. Zie netto nationa

Bruto binnenlands product (BBP)
Het BBP heeft betrekking op productie binnen de landsgrenzen.Het is gelijk aan de totale bruto toegevoegde waarde van de sectoren ondernemingen en financiële instellingen en overheid. Zie bruto nationaal product (BNP), netto binnenlands product (NBP).

Capaciteitsaspect van investeringen
Dit aspect van investeringen heeft betrekking op de aanbodzijde van de economie. Door een investering wordt de productiecapaciteit groter en neemt het aantal arbeidsplaatsen toe. Dit wordt ook het structurele aspect van investeringen genoemd. Zie bestedingsaspect van investeringen.

Categoriale inkomensverdeling
De verdeling van het nationaal inkomen over loon, pacht en huur, interest en winst. Zie loonquote.

Consumptiefunctie
Deze gedragsvergelijking beschrijft het verband tussen de geplande, ex ante consumptie en het nationaal inkomen. Is de consumptiefunctie bekend, dan is de spaarfunctie daar gemakkelijk uit af te leiden. Is als consumptiefunctie gegeven: C = cY + Co , dan is de spaarfunctie S = sY - Co . Hierin is de marginale spaarquote s, en is gelijk aan (1 - c).

Consumeren in ruime zin
Het gebruiken van goederen door de consument.

Consumeren
Zowel consumeren in enge zin, als consumeren in ruime zin.

Consumeren in enge zin
Het kopen van goederen door de consument.

Consumentenprijsindex
Geeft de stijging aan van een pakket goederen en diensten door een modaal gezin gekocht in het basisjaar. Het is een samengesteld en gewogen indexcijfer, omdat het uit zeer veel verschillende goederen bestaat, en elk product meetelt naar relatieve importantie. Het samengesteld gewogen prijsindexcijfer wordt berekend door alle partiële indexcijfers

Consument
Iemand die in staat is om te consumeren.

Conjunctuurcyclus
De periode van één conjunctuurgolfbeweging. Bijvoorbeeld de tijd tussen twee toppen.

Conjunctuur(golf)
De afwijking van de groei van het nationaal inkomen ten opzichte van de trend. Deze afwijkingen zijn vaak het gevolg van schommelingen van de effectieve vraag. De conjunctuur verloopt in de tijd meestal via een golvend verloop. Periodes van hoog- en laagconjunctuur volgen elkaar op. Een toename van de effectieve vraag leidt in eerste instantie tot

Conjuncturele werkloosheid
Werkloosheid die ontstaat wanneer de productiecapaciteit niet volledig is bezet. Deze is te berekenen door het verschil te nemen tussen de werkgelegenheid bij het bestedingsevenwicht en de door de effectieve vraag bepaalde vraag naar arbeid. Of iets anders gezegd: het verschil tussen de werkgelegenheid bij het bestedingsevenwicht en het inkomenseve

Conjuncturele ontwikkeling
De geleidelijke verandering in de tijd van de effectieve vraag.

Commerciële economie
In dit vak let men op de positie van de onderneming op inkoop- en verkoopmarkten. Het vaststellen van een reclamebudget voor de verkoop van een goed is een voorbeeld van een probleem uit de commerciële economie. Een belangrijk onderdeel van de commerciële economie is de marketing.

Depressie
Een langdurige periode van laagconjunctuur en onderbesteding met een negatieve groei van het nationaal inkomen gecombineerd met een hoge werkloosheid. De verlammende werking die een depressie vaak op de investeringen heeft, maakt het lastig om uit het dal te kruipen.

Depositorente
Rente die banken vergoed krijgen over de depositofaciliteit. De depositorente vormt de bodem voor de geldmarktrente en is dus lager dan de refi-rente.

Depositofaciliteit
Voorbeeld van een permanente faciliteit. Hiervan kunnen kredietinstellingen met een zeer kortlopend liquiditeitsoverschot gebruik maken.

Definitiegelijkheid
Zie identiteit.

De Nederlandsche Bank (DNB)
De nationale centrale bank van Nederland. Onderdeel van het Europese Stelsel van Centrale Banken. Belangrijkste taken sinds de invoering van de euro zijn, naast deelname aan het ESCB, het houden van toezicht op financiële instellingen en het bevorderen van een goede werking van het chartale en girale betalingsverkeer.

Directe belastingen
Belastingen over primaire inkomens.

Diepte-investeringen
Aankoop van kapitaalgoederen die productiever zijn dan de huidige kapitaalgoederen die een onderneming bezit.

Diensten van derden
Diensten die niet door het eigen personeel zijn uitgevoerd, maar door andere bedrijven, zoals diensten van transportbedrijven en schoonmaakbedrijven.

Diensten
Onstoffelijke goederen.

Duurzame consumptiegoederen
Zowel goederen die een consument meerdere malen kan gebruiken, als milieuvriendelijke consumptiegoederen.

Economische kringloop
Geeft in een gesloten schema weer hoe de geld- en goederenstromen zich tussen de sectoren bewegen als in een bloedstroom. Het kringloop idee is afkomstig van François Quesnay.

Economische en Monetaire Unie (EMU)
Op 1 januari 1999 is de derde en laatste fase van de Economische en Monetaire Unie ingegaan. Landen die hieraan deelnemen, hebben hun nationale valuta ingeruild voor de euro en daarmee het monetaire beleid van de nationale centrale banken overgedragen aan de Europese Centrale Bank.

Economie
Bestudeert de verschijnselen die samenhangen met de schaarste. De schaarste van de goederen dwingt ons om te kiezen.

Econometrie
Wetenschap die zich bezighoudt met het zoeken van oorzakelijke verbanden tussen economische grootheden door middel van statistische analyse.

Effectieve vraag
De ex ante bestedingen van consumenten en ondernemingen. Zie evenwichtsinkomen, onderbesteding, overbesteding.

Enkelvoudig prijsindexcijfer
Het indexcijfer van één product of van een groep producten. Het consumentenprijsindex is opgebouwd uit verschillende partiële indexcijfers.

Endogene grootheden
De hoogte van endogene grootheden vinden we door de hoogte van de bijbehorende exogene grootheden in het model in te vullen en vervolgens het model op te lossen.

Europese Centrale Bank (ECB)
Onderdeel van het Europese Stelsel van Centrale Banken dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het monetaire beleid.

Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB)
Bestaat uit de Europese Centrale Bank (ECB) en de centrale banken van alle vijftien lidstaten van de Europese Unie. Het belangrijkste besluitvormende orgaan van het ESCB is de Raad van Bestuur van de ECB.

Evenwichtsvoorwaarde
De noodzakelijke voorwaarde waaronder een model in evenwicht is. In het eenvoudige keynesiaanse model is de evenwichtsvoorwaarde dat het nationaal inkomen gelijk is aan de effectieve vraag, zodat de besparingen gelijk zijn aan de investeringen.

Externe waarde van de euro
De wisselkoers van de euro. De Europese Centrale Bank houdt zich niet direct bezig met de handhaving hiervan.

Externe effecten
Zie positieve en negatieve externe effecten.

Exogene grootheden
De hoogte van exogene grootheden wordt buiten het model bepaald. De hoogte van endogene grootheden wordt door het model verklaard uit de hoogte van de exogene grootheden. In C = cY + Co zijn de marginale spaarquote c en de autonome consumptie Co de exogene grootheden.

Ex post
Achteraf gerealiseerd, zie ex ante, evenwichtsinkomen.

Ex ante
Vooraf gepland, als in de geplande consumptie en de geplande investeringen die samen de effectieve vraag vormen.

Frictiewerkloosheid
Er zal altijd enige werkloosheid zijn, omdat mensen voor het zoeken van een nieuwe baan tijd nodig hebben. Deze vorm van werkloosheid wordt kleiner door de werking van de CWI's te verbeteren.

Gesloten economie
Een economie of economisch model zonder transacties met het buitenland.

Gemiddelde spaarquote
Geeft weer welk gedeelte van het nationaal inkomen wordt gespaard.

Gemiddelde consumptiequote
Geeft weer welk gedeelte van het nationaal inkomen wordt geconsumeerd.

Gemiddelde arbeidsproductiviteit
De hoeveelheid productie per werknemer per tijdseenheid.

Geïnduceerd
Afhankelijk (van het nationaal inkomen). In de vergelijking C = cY + Co is de term cY de geïnduceerde consumptie.

Geïmporteerde inflatie
Hier spreekt men van indien de bron van de prijsstijgingen in het buitenland zit, doordat ingevoerde grondstoffen of eindproducten duurder zijn geworden.

Gedragsvergelijking
Een dergelijke vergelijking geeft weer hoe economische subjecten reageren op een verandering van een economische grootheid. De consumptiefunctie geeft bijvoorbeeld weer hoe de consumenten hun bestedingen af laten hangen van het nationaal inkomen.

Geaggregeerde grootheden
Het werken met geaggregeerde grootheden is kenmerkend voor de macro-economie. Voorbeelden zijn de som van alle inkomens in een land en de totale hoeveelheid vacatures.

Hausse
Periode van hoogconjunctuur.

Herfinancieringstransacties
Belangrijkste vorm van open markttransacties.

Hoogconjunctuur
De economische activiteit is zodanig dat de economische groei boven de trendmatige groei zit. Als er echter overbesteding optreedt, kan dit weer nadelige gevolgen hebben voor de groei.

Huur
De beloning voor het ter beschikking stellen van gebouwen.

Human capital
Menselijk kapitaal". Door ontwikkelingen in het onderwijs volgen meer mensen een gespecialiseerde opleiding, zodat de kwaliteit van de arbeid toeneemt. De uitgaven voor onderwijs beschouwt men tegenwoordig als een investering in human capital. Men gebruikt hier het woord 'kapitaal', omdat de productiefactor arbeid als het ware wordt geproduceerd do

Huishouden
Een economische eenheid, zoals een gezin, een onderneming of de overheid.

Identiteit
Een noodzakelijke gelijkheid: een vergelijking die per definitie waar is en daarom ook definitiegelijkheid wordt genoemd, zoals Y= C + I + O + E - M.

Importlek
Zie inkomenslekken.

Interne waarde van de euro
De koopkracht van de euro. Handhaving van de interne waarde van de euro is de primaire doelstelling van de Europese Centrale Bank.

Interest
De beloning voor het ter beschikking stellen van geld.

Inkomenslekken
Geld dat niet als besteding terugkeert in de economische kringloop van een land, waardoor de werking van de multiplier verzwakt wordt. Een exogene vergroting van overheidsuitgaven heeft derhalve een minder sterk effect op het nationaal inkomen dan Keynes voorspelt. De inkomenslekken zijn de besparingen, de belastingen en de import.

Inkomensevenwicht
Zie keynesiaans evenwicht.

Informatiegoederen
Onderscheiden zich van 'gewone' goederen doordat de waarde voor de consument ervan pas te bepalen is nadat de informatie is geconsumeerd. Ze worden daarom ook wel ervaringsgoederen genoemd. Daarnaast onderscheiden informatiegoederen zich van gewone goederen door hun kostenstructuur. Het produceren van het eerste exemplaar van een informatiegoed is

Inflatie (prijs)
Stijging van het gemiddelde prijspeil. Met de losse term inflatie wordt vrijwel altijd prijsinflatie bedoeld. Verschillende vormen van inflatie zijn monetaire inflatie, bestedingsinflatie, kosteninflatie, stagflatie en geïmporteerde inflatie.

Indirecte belastingen
Belastingen die verband houden met bestedingen, zoals de BTW en accijnzen. Ze worden ook kostprijsverhogende belastingen genoemd.

Indexcijfer
Verhoudingsgetal waarmee een grootheid ten opzichte van het basisjaar wordt vergeleken.

Investeringen
De aanschaf van kapitaalgoederen door de producent. Deze investeringen kunnen plaatsvinden ter vervanging van afgeschreven kapitaal en voor uitbreiding van de kapitaalgoederenvoorraad. Zie bruto-investeringen. en netto-investeringen, alsmede breedte- en diepte-investeringen.

Kapitaalgoederen
Alle goederen die door een producent zijn aangekocht, die tezamen de productiefactor kapitaal vormen. Men spreekt ook wel van reëel kapitaal, in tegenstelling tot geldkapitaal. Men onderscheidt vaste en vlottende kapitaalgoederen.

Kapitaal
In de algemene economie meestal opgevat als reëel kapitaal, d.w.z. goederen als productiefactor, in tegenstelling tot geldkapitaal dat een som geld is. Kapitaal is een afgeleide productiefactor.

Keynesianen
De aanhangers van de econoom Keynes leggen de nadruk op de vraagkant van de economie en de korte termijn. Zij gaan uit van de starheid van prijzen en vooral van de lonen. Volgens Keynes zijn in een situatie van onderbesteding de lonen star naar beneden, maar zou bij een daling van het loon de starheid van de prijzen ervoor zorgen dat de koopkracht

Keynesiaans evenwicht
De ex ante effectieve vraag is gelijk aan het ex post nationaal inkomen. Deze hoogte van het nationaal inkomen wordt ook het evenwichtsinkomen genoemd. Er is sprake van inkomensevenwicht.

Klassieken (Neo)
De neoklassieken leggen de nadruk op de aanbodkant van de economie en de lange termijn. Zij vertrouwen op het gemakkelijk aanpassen van de prijzen op de markten. Volgens hen is er altijd sprake van bestedingsevenwicht, omdat de soepele aanpassing van de prijzen en lonen garandeert dat de productiecapaciteit op elk moment volledig bezet is.