Kopie van `Bataviawerf`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.
Categorie: Diverse industrieën en ambachten > Scheepvaart
Datum & Land: 16/05/2013, NL
Woorden: 106


Achtersteven
Meestal een rechte balk die op de achterkant van de kiel wordt opgericht in de lengteas van het schip. De achtersteven wordt meestal uit één stuk gemaakt en met pennen op de kiel gelast. Tegen de binnenkant van de steven worden worpen van het achterschip en de hekbalk geplaatst. Het achtersteven moet tevens het roer dragen.

Afschrijven
Het te bewerken hout door middel van een kraspen of schrapijzer afschrijven, om aan te duiden waar en in welke vorm het moet worden bewerkt.

Balkengat
Onderwatermagazijn, waar de over het water aangevoerde voorraad boomstammen voor de bouw van schepen werd opgeslagen.

Balkweger
Langsscheepse balk, dikker dan de planken van de wegering die tegen de binnenkant van de spanten gebout is en de spanten onwrikbaar opsluit, maar tevens als drager voor de koppen van de dekbalken dient. In de balkwegers zijn aan de bovenkant inkepingen gemaakt die de koppen van de dekbalken met een zwaluwstaart opvangen. Samen met het berghout spee...

Bedstee van de boegspriet
De vissing, dat wil zeggen, een constructie voor het onwrikbaar opsluiten van de boegspriet.

Belegklamp
De meest voorkomende klamp voor het beleggen van touwwerk. Zij heeft de vorm van een platte T en wordt met twee bouten vastgemaakt. Het te beleggen touw wordt er met kruisslagen omheen geslagen en door een kopslag vastgelegd.

Berghout
Zware balkengang, dikker dan de normale beplanking, die rondom een schip tegen de spanten ligt en een grote rol speelt in het langsverband (=langsscheepse versterking van de romp). Het berghout voorkomt tevens beschadiging van de scheepsromp bij het meren tegen kademuren en andere schepen. Grotere schepen met meerdere dekken hebben ook meerdere ber...

Bestek
Het geheel van geschreven bijzonderheden voor het bouwen van een schip. Bij het bestek hoort ook een lijst van afmetingen en soorten van materialen en een lijst met de voornaamste bouwafmetingen.

Beting
Constructie van twee zware stijlen (de spenen) die zijn verbonden door een zware balk (het juk); het geheel dient om de ankerkabel of -ketting aan vast te maken als het schip voor anker ligt.

Blok
Houten onderdeel dat dient ter geleiding van touw, meestal in het tuig.

Boeisel
Gedeelte van de scheepswand tussen de kim en het eerste berghout.

Borstbalk
Balk tegen de binnenzijde van de verschansing; dient om de korvijnagels in te steken.

Bouwmeester
Hier: scheepsbouwmeester; ontwerper én uitvoerder; heeft tevens de algehele leiding op een scheepswerf.

Braadspil
Een tussen twee stijlen, horizontaal opgestelde windas, gebruikt om zwaar werk te verrichten. Het spil is voorzien van een aantal gaten waar windbomen of handspaken in gezet kunnen worden. Braadspillen kunnen op de wal staan, of in schepen.

Buikdenning
Binnenhuid van het vlak die op de bovenkant van de leggers ligt; maakt deel uit van de constructie en dient tevens om een gladde oppervlakte te verkrijgen in het ruim.

Cirkellat
Een horizontale lat die schuift en draait om een ronde, verticale paal, die dient om in de kop het verloop van de cirkelmaat van de scheergang te bepalen.

Dekbalk
Balk waarop de dekplanken worden bevestigd. Een stel dekbalken vormt de drager van het dek. Hun geheel vormt een belangrijk dwarsverband van het schip. Niet alle dekbalken overspannen de gehele scheepsbreedte en sommige liggen ook langsscheeps. Om doorbuigen te voorkomen worden ze aan de onderkant gesteund door verticale spijlen.

Dommekracht
Werktuig dat werd gebruikt om zware lasten op te tillen, te ondersteunen of weg te drukken. De meest gebruikte dommekracht bestond uit een houten paal met schroefdraad die in een zware klos draaide.

Ducdalf
Zware meerpaal, genoemd naar de hertog (=duc) van Alva.

Duim
Lengtemaat. De duim is het tiende, elfde, of twaalfde deel van een voet, naar gelang de streek of het land. Op de werf wordt gewerkt met de Amsterdamse duim van 2,57 centimeter.

Engelse oorlogen
Gedurende de 17de eeuw werden door de Nederlandse Republiek drie handelsoorlogen met Engeland uitgevochten: Van 1650 tot 1653; van 1665 tot 1667 en van 1672 tot 1674. Eind 18de eeuw volgde tenslotte nog een Vierde engelse oorlog.

Galerij
De uitbouw aan de achterzijde van een schip. In de galerijen bevinden zich de gemakken (toiletten) voor de scheepselite.

Galjoen
Uitbouw van de romp die vóór de bak en op gelijke hoogte daarmee een geheel vormt. Het galjoen draagt aan de voorkant dikwijls een steven- of schegversiering, bestaande uit een min of meer groot beeldhouwwerk, op Nederlandse schepen veelal een leeuw. Dit beeld steunt op de tot scheg uitgebouwde voorsteven. Naar achter toe bakenen de r...

Gangboord
Smal stuk dek tussen het boord ( zijkant) en de opbouw van een vaartuig, waarover men zich van het voorschip naar het achterschip kan begeven. Op zeeschepen is het gangboord het gedeelte van het dek tussen de verhoogde luikgang en het boord.

Grieten
De kinderbalken die parallel tussen de hoofdbalken van een dek liggen; ze worden ondersteund door de klamaaien.

Grootspant
Ook wel hoofdspant, middel- of meesterspant genoemd. Het grootspant is een verticale, haaks op de kiel staande dwarsdoorsnede op de grootste breedte van de scheepsromp. Dit punt ligt meestal even voor, of op de halve lengte van de kiel.

Hals
• Gedeelte van het spant boven de scheergang • Plaats van het grootspant • Touw waarmee een zeil wordt gevierd (i.t.t. schoot) • Het middelste, gebogen deel van een houten knie.

Hekbalk
Dwarsscheepse balk die tegen de binnenkant van de achtersteven ligt en die de draagbalk is voor het hekwerk. Hij vormt tevens de scheiding tussen de spiegel en het hek. (Het hek bevindt zich aan de onderzijde van het wulf, waarboven het hakkebord zit). De uiteinden van de hekbalk sluiten aan tegen het rantsoenhout. Op de kop staat aan iedere zijde ...

Hielling
De hielvormige achterzijde van de kiel.

Houthelling
Helling waarover het over het water aangevoerde hout op het werfterrein werd gesleept.

Jijn
Zwaar takelgestel, bestaande uit twee blokken die samen vijf of meer schijven tellen. Zij zijn bestemd voor het heffen van zware lasten. De loper van een jijn werd dikwijls om een spil geslagen om te worden bediend.

Kantbijl
Bijl die aan één zijkant niet helemaal vlak is, maar zowel verticaal als horizontaal iets gebold is. Hierdoor kan men met deze bijl sturen als met een dissel.

Kiel
Zware, langsscheepse balk die midscheeps de onderzijde van een schip vormt en de basis uitmaakt voor het opbouwen van de stevens en spanten. Meestal steekt de kiel onder de romp uit. Voor grotere schepen wordt hij uit drie of vier delen gemaakt die met lassen aan elkaar zijn bevestigd.

Kim
De overgang op een scheepsboord van het vlak naar het boeisel. De kim is de plaats waar een schip op rust als het droog valt. Daarom is op die plaats dikwijls een zwaardere boordplank aangebracht.

Kinnebaksblok
Eénschijfsblok waarvan het huis aan één zijde ten dele open is, zodat men zonder meer een touw op de schijf kan leggen zonder deze met het uiteinde van het touw in het blok te hoeven steken. De open zijde kan worden afgesloten door een ijzeren scharnier, die deel uit maakt van het beslag en daar draaibaar op bevestigd is.

Klaas Jacobs
Ook wel boeitang of dwingijzer genoemd. Werktuig bestemd voor het vasthouden of torderen-kromtrekken van planken tijdens het beplanken van de romp. Meestal wordt hij gevormd door twee balken die beweegbaar met elkaar verbonden zijn door een dwarsbalk. Tussen de uiteinden van de balken kan een spie gedreven worden zodat de andere koppen gaan werken ...

Klamaai
Langsscheepse balk tussen de dekbalken, die met een tand in de dekbalken wordt ingelaten, zodat hij gelijk valt met de bovenkant ervan. Dient voor de oplegging van de grieten en is tevens bestemd om enige houvast te bezorgen voor oog en ringbouten voor het geschut en de tuigage.

Klampen
Hier: tijdelijke stukken hout in verschillende vormen (hoog, plat, kort, lang) die tijdens de bouw tijdelijk aan de binnenkant van de huid aangebracht worden om, samen met de dommekrachten en Klaas Jacobsen, de huidplanken op hun plaats te houden.

Klis
Houten verbindingsstuk. Zie klamp.

Klos
Houten vulstuk dat tussen de spanten of stapelblokken wordt geplaatst om ze op gelijke afstand van elkaar te houden en hun onderlinge verband te verstevigen.

Knecht
Zware stijl aan de bovenkant voorzien van een standblok dat, samen met een kardeelblok, een kardeeltakel vormt voor het hijsen en strijken van de onderra. Aan de bovenkant was een knecht vaak voorzien van een mannenhoofd.

Kniestuk
Een min of meer L-vormig, soms V-vormig gegroeid stuk hout, dat wordt gebruikt om twee verbanddelen met elkaar te verbinden. Daartoe worden beide delen van de knie met bouten aan de te verbinden onderdelen vastgezet.

Knoop
Hier: het punt van samenkomst van de kiel en de voorsteven; de knoop is een belangrijk meetpunt.

Kop
In het algemeen het voorste deel van een schip.

Kraanzaag
Zaag met grove tanden waarmee boomstammen tot balken of planken voor de scheepsbouw werden gezaagd. Zij werd gemaakt uit een één tot twee meter lang blad, aan één zijde voorzien van een vast kruk, aan de andere zijde van een losse. Dit was nodig om de zaag gemakkelijk uit de snede te kunnen nemen als het hout op de zaags...

Kromhout
Hout dat kromgegroeid is, bijvoorbeeld een knie. het werd gebruikt voor allerlei gebogen onderdelen van een houten scheepsromp.

Kruisschoor
Bij oorlogsschepen: een versteviging onder in het ruim tegen het dwarsscheeps schranken als er regelmatig gevuurd werd over verschillende boorden.

Langshelling
Scheepshelling waarbij de schepen haaks, of in een licht hoek met het water, van stapel konden lopen.

Las
Verbinding tussen twee houten verbanddelen die in de lengterichting aan elkaar worden bevestigd zonder dat de dikte of de breedte ervan worden gewijzigd.

Legger
Een rechte, dwarsscheepse balk die deel uitmaakt van het spant en die van boord tot boord over het vlak ligt.

Lijfhout
Ook wel watergang genoemd. Zware dekgang van een houten dek aan de zijkant van een schip. Hij ligt in de dekbalken verzonken, zodat de bovenkant gelijk ligt met de normale dekplanken.

Loefbijter
Ook wel loefhouder genoemd. Een stuk hout dat onder aan de voorkant van de voorsteven wordt bijgezet voor de extra breedte die nodig is voor het beter loefhouden van het schip.

Mastvissing
Het samenstelsel van klamaaien en kalven die tussen de dekbalken zitten. Samen vormen ze een gat waardoor een mast kan lopen.

Oplang
Verticale deel van een spant, het verlengstuk van een legger. De verbinding tussen beide wordt doorgaans door een zitter gedubbeld.

Overloop
Het onderste doorlopende dek.

Portaalkraan
Kraan met een onderbouw in de vorm van een portaal.

Ra
Rondhout op een dwarsgetuigd schip, bestemd om razeilen te dragen.

Rantsoenhouten
De U-vormige vertakking van de achtersteven. De hekbalk verbindt de rantsoenhouten. Het rantsoenhout bepaalt zowel de breedte als de vorm van het schip. De verlengstukken van de rantsoenhouten boven de hekbalk heten de windveren.

Reep
Touw dat door blokken of schijven geschoren wordt en dikker is dan een duim.

Regenten
Het geheel van de bestuurselite in de Nederlandse Republiek.

Rij
Zie strooklat. Tevens wordt met een rij een rechte lat bedoeld, waarmee nagegaan wordt of een plank of balk recht geschaafd of bewerkt is, hoeveel ronding een balk heeft, of hij horizontaal ligt, ed. Bovendien wordt hij als een soort meetlat gebruikt, waarbij de lat in een aantal cöordinaten is verdeeld.

Rijschaaf
Grote schaaf die door drie mensen bediend moet worden.

Roede
Verticale ribben die op de bodem tegen de zijkant van het zaathout worden gespijkerd om de maatvoering van de scheergang te bepalen.

Rondhout
Al het ronde hout dat in de tuigage van een schip wordt gebruikt, zoals: masten, stengen, ra’s; ook als ze niet in gebruik zijn, maar als reserve zijn opgeslagen.

Schaarstok
Langsscheepse zware dekgang, dikker dan de normale dekgangen, waarvan er twee tot vier op de dekbalken worden ingelaten zodat de bovenkanten gelijk liggen met de gewone dekplanken. Ze vormen een belangrijk onderdeel in de langsverstijving.

Scheepslengte over de stevens
In de zeventiende eeuw werd de lengte gemeten vanaf de voorkant van de voorsteven - zonder galjoen - tot aan de achterkant van de achtersteven.

Scheepsvictualie
Alle levensmiddelen en dranken aan boord van een schip om een reis te ondernemen.

Scheergang
Ook wel scheerstrook genoemd. Een tijdelijke lat die de zeeg en ook meteen het rijzen van het dek aangeeft tijdens de bouw. De scheerstrook is bedoeld als geheugensteuntje voor de bouwmeester. Deze tekent op de strook niet alleen de plaats waar de dekbalken dienen te komen aan, maar ook de plaats van de luiken, spillen, masten, geschutspoorten, etc...

Scheluw
Verwrongen, uit het platte vlak gebogen of gedraaid.

Schoeiing
Houten bekleding van een paal.

Schoren
• Met stutten (schoren) ondersteunen • Stutten

Sentlat
Zie strooklat.

Slemphout
Klos hout, of meerdere met lassen in elkaar gewerkte en aan elkaar geboute klossen, die in de hoek tussen de kiel en de voor- en achtersteven werden geplaatst als vulling, als drager van spanten en als drager van huidplanken van het voor- en achteronderwaterschip.

Slijtkiel
Zware balk die onder aan de kiel wordt bevestigd, om de eigenlijke kiel te beschermen tegen stoten en dergelijke.

Spaantje
Hier: plankje met dezelfde dikte als de zandstrook, waarmee de pasvorm van de zandstrook in de sponning van de kiel wordt gecontroleerd.

Spant
Eén van de dwarsscheeps geplaatste verbanddelen die mede het geraamte van een scheepsromp vormen. Zij strekken zich meestal van boord tot boord uit, haaks over de kiel en lopen tot aan de hoogste boordplank op. Meestal worden spanten uit meerdere gezaagde stukken samengesteld, hetzij als doorlopen spant, hetzij als afzonderlijke, vrijstaande...

Spantenbouw
Scheepsbouwmethode waarbij eerst de spanten en daarna de bodem en de huid werden aangebracht. Om het bouwproces beter te beheersen werkte men van van te voren gemaakte tekeningen en uitslagen af.

Spiegel
Bijna plat vlak dat het achterschip van een vaartuig afsluit. In de ruimste zin van het wordt bij een groter schip het gehele achtervlak als spiegel beschouwd. Feitelijk is de spiegel alleen het deel van het achterschip dat onder de hekbalk langs beide zijden van de achtersteven ligt. Het gedeelte dat boven de hekbalk ligt, is het wulf. Daarboven l...

Spil
Zie braadspil.

Spilbed
Houten vloer waar een spil op rust.

Spintlaag
De zachte, lichtgekleurde laag van een boom, dat zich tussen de schors en het harde hout bevindt. Het moet zorgvuldig worden verwijderd voor het hout wordt gebruikt, omdat het sterk aan verrotting en worm onderhevig is.

Stapelblok
Zwaar blok waarvan er een aantal in piramidevorm op elkaar worden gestapeld. Een reeks van deze stapels wordt achter elkaar op de helling geplaatst als basis van de kiel van een op stapel te zetten schip.

Steng
Rondhout dat dient om een ondermast te verlengen. Op grote schepen wordt de ondermast door meerdere stengen verlengd.

Stopping
Steun dat onder een zwaar bouwdeel wordt aangebracht om het in de gewenste stand te brengen of te houden.

Stuurlast
Toestand waarbij het achterschip dieper in het water ligt dan het voorschip, waardoor beter met het schip gestuurd kan worden.

Talie
In het algemeen: uiteinde van een touw dat onderdeel is van het lopend want.

Trekschulpzaag
Zware trekzaag die door acht mensen moet worden bediend. De horizontaal opgestelde zaag wordt door twee man aan weerskanten van de zaag gestuurd, en de rest trekt mee door middel van touwen.

Uitslagvloer
Vloer op de mallenzolder, waarop de lijnen van een scheepsplan op ware grootte en met behulp van strooklatten werd getekend om er mallen van te maken.

Uitwatering
De afwatering van het bovenste doorlopende dek langs de spuigaten, waarmee tevens de hoogte van de spuigaten werd bedoeld. Ter hoogte van de uitwatering werd de breedte van het schip bepaald.

Verdek
Bovenste doorlopende dek.

Verhalen
Een schip over een niet al te grote afstand met een sleepkabel of tros langs de wal, of door middel van een roeisloep naar een andere plaats slepen.

Vlakbouwmethode
Ambachtelijke scheepsbouwmethode waarbij eerst het vlak ofwel bodem van het schip werd gelegd, en daarna pas de spanten werden geplaatst. De bouwmeesters maakte geen gebruik van tekeningen, maar bouwden op het oog.

Voet
Lengtemaat. De lengte verschilde van plaats tot plaats. Op de werf wordt de Amsterdamse voet gebruikt van 28,3 cm. Deze bestaat ui 11 duim van elk 2,57 cm.

Voorsteven
Zware balk die in de lengteas van het schip op de voorkant van de kiel wordt geplaatst. Het kan recht, hol, bol, of S-vormig zijn. Op een groter schip wordt hij meestal uit meerdere delen samengesteld die met lassen aan elkaar zijn bevestigd. De onderkant wordt met een kiellas op de voorkant van de kiel bevestigd of door middel van een stevenknie. ...

Wegering
Bekleding met wegers: planken die over de gehele lengte van het schip tegen de binnenkanten van de spanten worden gebout. De bekleding is bedoeld als versterking van het langsverband (langsscheepse versterking van de romp).

Witsen, Nicolaas
Amsterdamse regent en burgemeester. Hij leefde van 1641 tot 1717 en publiceerde in 1671 een vermaard boek over scheepsbouw Aeloude en Hedendaagse Scheepsbouw en Bestier.

Worp
Zware, dwarsscheeps en horizontaal over de achtersteven geplaatste balken die het spantwerk van de spiegel vormen. Zij stoten met de uiteinden tegen de rantsoenhouten en bepalen de vorm van de spiegel.

Yk, Cornelis van
Scheepsbouwmeester in dienst van de VOC. In 1697 verscheen van zijn hand een belangrijk boek over de Nederlandse scheepsbouw De Nederlandse scheepsbouw-Konst Open gesteld.

Zaathout
Langsscheepse, zware balk die over de leggers van de spanten ligt en als het ware de tweede kiel aan de binnenkant van de romp vormt. Ook ‘kolsem’ genoemd. Het zaathout is aan de onderkant ingekeept zodat het over de leggers grijpt en iedere verplaatsing onmogelijk maakt. Op of in het zaathout worden de mastsporen gemaakt.

Zandstrook
Ook wel kielgang genoemd. De eerste huidgang die vlak naast de kiel ligt en met één lange zijde in de kielsponning is ingelaten.