Kopie van `Glossarium Nederlands Landschap`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.


Glossarium Nederlands Landschap
Categorie: Aardrijkskunde
Datum & Land: 15/02/2007, NL
Woorden: 1072


Aa
Beek of meertje (van Middeleeuws Duits woord `aha` = water)

Aag
Friese vorm van oog, laag gelegen weiland

Aanplempen
Het vergroten van het landoppervlak door materiaal in het water de storten.

Aanwassen
Aangroei van land door sedimentatie.

Abrikozenmuur
Zie slangenmuur.

Abschnittsmotte
Kasteelheuveltje in Zuid - Limburg dat ontstaan is door de afgraving van een deel van een helling waardoor het heuveltje van de rest van de helling wordt afgesneden.

Achterdijk
Lage dijk aan achterzijde van een eerste ontginning (van 100 meter breed en 1.250 meter lang), die de de ontginning moest beschermen tegen het hoger gelegen veen erachter (waterstaatkundige functie). Ook achterkade of landscheiding genoemd.

Achterkade
Zie achterdijk. Kan echter ook een andere benaming zijn voor houkade, bijvoorbeeld de Ruigeweidse Achterkade in Driebruggen - Waarder in Zuid-Holland.

Afdakswoning
Met afdakswoning is een type arbeiderswoning bedoeld waarvan de daken aan de achterkant verder naar beneden lopen dan aan de voorkant. Deze woningen werden vanaf 1860 in Twenthe voor de toestroom aan textielarbeiders gebouwd. Een grote woonkeuken met twee bedsteden, dat is alles. Aan de achterzijde bevindt zich nog een z.g. spoelhok. Het (droge) toilet staat buiten in een afzonderlijk schuurtje. De puntige zolder is een aaneengesloten opslagplaats zonder scheidingsmuren. De troosteloze arbeiderswijken worden vanaf 1908 geleidelijk vervangen door betere wooncomplexen.

Afkalving
Erosief proces (vooral door stromend water), waardoor een oever wordt ondermijnd, na verloop van tijd afbrokkelt en in de stroom terechtkomt. Dit proces komt vooral voor in de buitenbochten van rivieren (meanderende rivier) en langs kusten die blootstaan aan sterke golfwerking (erosiekust). Afkalving kan uiteindelijk leiden tot een dijkval. Begroeiing kan de snelheid van afkalving sterk afremmen, doordat wortels de grond vasthouden.

Afpalingsrecht
Recht op stilte in een `afgepaald` gebied rondom een eendenkooi. Dit omdat stilte een absolute noodzaak is om wilde eenden te lokken. Het is een oeroud recht, dat nog stamt uit de tijd van Karel V (circa 1550).

Afvenen
Zie droge vervening.

Afwatering
Het afvoeren van overtollig water door een stelsel van watergangen.

Aireywoning
In de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog werd vanwege de schaarste aan materiële en financiële middelen geëxperimenteerd met nieuwe, industriële bouwwijzen. Het Airey-systeem bestond uit een skelet van beton en staal met buiten- en binnenbekleding van beton- en houtvezelplaat. Ramen en dakspanten van de Airey-woningen zijn van staal, de kap is met hout beschoten met bitumen afdekking.

Akkerkamp
Akkerland

Allee
Zie laan.

Ambacht
Rechtsdistrict; West-Friesland is b.v. onderverdeeld in vier ambachten, die op hun beurt weer zijn onderverdeeld in koggen

Ang
Bouwland, es

Anger
Dorpsweide

Anti-tankgracht
Diepe gegraven met water gevulde gracht met steile oevers om tanks tegen te houden, o.a. ten zuidoosten van IJmuiden en in de Grebbelinie. De antitank hindernis bij IJmuiden was op meerdere plaatsen onderbroken om het verkeer in en uit de Festung IJmuiden te laten via afsluitbare doorgangen (Walzkörpersperre). Buiten de ring met antitank hindernis waren velen uitgestrekte mijnenvelden gelegen met antipersoneels- en antitankmijnen. Wordt ook wel tankval of anti-tankkanaal genoemd.

Arsenaal
Magazijn voor oorlogsbehoeften, veelal met bijbehorende werkplaats, ook wel armamentarium, bushuis, tuighuis of (`s) lands huis genoemd.

Artesische bron
Bron waarvan het water boven de grondwaterspiegel uitstijgt.

Atlantikwall
Verdedigingslinie langs de Noorse, Deense, Duitse, Nederlandse, Belgische en Franse westkust, gebouwd door de nazi’s tussen 1941 en 1945. Op enkele plaatsen zijn hier nog overblijfselen van terug te vinden, zoals bij Castricum, dat vanwege het vlakke achterland werd aangewezen als Stützpunktgruppe. In de duinen bij Castricum werden 800 bunkers gebouwd en achter de duinen werd een tankval gegraven, een 8 meter brede door tanks niet te nemen v-vormige watergang. Op andere plaatsen werd een tankmuur gebouwd.

Baak
Wit bord met rode rand op gele paal met markeringsinformatie langs waterwegen.

Baak
Heuvelrug, hoogte.



Baggerbeugel
Werktuig ten behoeve van de natte veenontginning (sinds 1530), zie slagturven

Baggeren
Zie slagturven

Bakhuisje
Bijgebouwtje bij Zuid-Limburgse boerderij. Wegens brandgevaar werd het brood niet in de boerderij zelf gebakken, maar in een apart huisje.

Bakwetering
Brede afwateringssloot op korte afstand achter de rivierdijk

Balg
Geul (Waddenzee)

Balgstuw
Opblaasbare stormvloedkering; de enige ter wereld ligt bij Ramspol tussen het Ketelmeer en het Zwartewater in Overijssel. In drie opblaasbare balgen van rubberdoek met een totale lengte van 180 meter kan bij hoogwater 10 miljoen liter water en een zelfde hoeveelheid lucht gepompt worden. Deze waterkering biedt goede bescherming tegen hoogwater, zit de scheepvaart niet in de weg en is relatief goedkoop. De balgstuw moet Noordwest Overijssel bij noordwestenwind beschermen tegen het opstuwende IJsselmeerwater. In opgeblazen toestand kan de balg een waterstijging van vier meter keren. De bouw, begonnen in 1998 heeft 70 miljoen euro gekost. Door de bouw van de balgstuw hoeven de dijken in het achterland niet verhoogd te worden. Aangezien het hier gaat om voornamelijk kronkeldijken, kunnen natuurwaarden hier behouden blijven. Ook in Tsjechië lijkt interesse te zijn in een balgstuw (in een zijrivier van de Moldau).

Ban
Historisch bestuursgebied of rechtsgebied van een stad, onderdeel van een baljuwschap (b.v. Banne Buiksloot in Amsterdam-Noord); in delen van vooral Noord-Holland (Gooi, West-Friesland) zijn nog veel banpalen (die de grens van een ban aangeven) te vinden

Bandijk
Winterdijk, hoge dijk op grotere afstand van de rivier. De buitenberm ligt aan een uiterwaard. Zie verder bij dijken.

Banpaal
Stenen paal die het eind van een rechtsgebied (ban) aangaf. Criminelen die verbannen waren, mochten deze grens niet overschrijden. Bij de bangrens ontstonden vaak primitieve kroegjes en krottenwijkjes. De grens van het bangebied (banmijl) schoof op met het groeien van een stad tot 7.420 meter buiten de stadsgrens in 1544. Verbanning is in 1886 uit het wetboek van strafrecht geschrapt (wel bestaan tegenwoordig dijkverboden en ongewenstverklaringen). Rond Amsterdam staan momenteel nog drie banpalen: bij de ingang van park De Braak, ten zuiden van het gemaal op de Machineweg (paal uit 1625) en bij het dorp Sloten (paal uit 1794). De overige drie palen zijn verdwenen.

Barbacane
Buiten een middeleeuwse vesting- of kasteelpoort gelegen verdedigingswerk, afgeleid van het Arabische woord `barbakkaneh` (bolwerk voor de poort), wordt ook wel bruggenschans genoemd.

Barchaan
Sikkelvormig duin waarvan de beide flanken zich sneller windafwaarts verplaatsen dan het centrum.

Basisveen
De veenafzetting die tijdens het Boreaal ontstond, toen de zeespiegel onze huidige kustlijn bereikte na afloop van de laatste ijstijd (Weichselien). Het basisveen werd gevormd in de zoute moerassen langs de kust en is diep in de bodem terug te vinden. Later is het bedekt door de afzettingen van Calais, waarbij het meeste veen is weggeslagen. Ook wel `veen op grotere diepte` genoemd.

Bastei
Grote hoefijzervormige lage toren in de ommuring van een stad of kasteel, naar oorspronkelijk ontwerp van Albrecht Dürer. Een bastei was voorzien van overwelfde kanonkazematten voor grachtsbestrijking en van geschutopstellingen op het bovenvlak en kan gezien worden als de voorloper van het bastion.

Bastille
Middeleeuws vestingwerk, veelal als zelfstandige verdedigingsburcht, gelegen voor de stadspoort of stadsmuur.

Bastion
Vijfhoekige stenen of aarden uitbouw van een verdedigingswerk, oorspronkelijk naar Italiaans ontwerp. In ruimere zin is een bastion een vooruitgeschoven verdedigingswerk, tot in de 17e eeuw eenvoudigweg bolwerk genoemd, dat met de fortificatie in gedekte verbinding staat. In engere zin is het een bij de frontlinie aangesloten vooruitspringend gedeelte op de hoeken en bij de toegangen van een vesting. Een bastion wordt ook wel bolwerk of dwinger genoemd. De muur of wal tussen twee bastions heet courtine. Onder een stenen bastion bevinden zich vaak kazematten, kelders voor munitie en kanonnen.

Bedekte weg
Doorlopende, door een aardlichaam gedekte weg rond de buitengracht van een vesting, bestemd voor het verzamelen van troepen voor een uitval, of als verdedigende opstelling. Wordt ook wel gedekte weg genoemd.

Beekdal
Zie madeland

Beemd, beemt
Graslandpercelen in een beekdal, dus laaggelegen (vooral in Noord-Brabant).

Beer
Gemetselde waterkering in een vestinggracht, ter bemoeilijking van de overgang aan de bovenzijde in de vorm van een ezelsrug (spits toelopend) en voorzien van een monnik (opstaande hindernis van metselwerk of natuursteen). Een beer kan de volgende functies hebben:
Scheiding respectievelijk regulering van de waterstand in een gracht, eventueel d.m.v. een sluis (sluisbeer). Er liggen twee beren in de binnengracht om Naarden-Vesting, om het zoete van het voormalige zoute water te scheiden.
Als holle beer, voor het doorlaten van personeel.
Idem, en bovendien voorzien van schietgaten, voor grachtsflankement.

Beermuur
Gemetselde primaire waterkering rond een vestingstad, bijvoorbeeld in Wijk bij Duurstede. Wordt ook wel walmuur genoemd. Een afsluitbare opening in een beermuur wordt coupure genoemd.

Beets
Beek

Beklemrecht
Grondhuur waarbij de pachter of meier betaalt voor het erfelijk recht op het land; de bebouwing is zijn eigendom. Beklemd land mag niet gesplitst worden. Beklemrechten zijn vooral toegepast in de provincie Groningen, waardoor de boerderijen daar altijd groot zijn gebleven, zie ook stadsmeierrecht. De stad Groningen bezat veel landerijen in het oosten van de provincie: Westerwolde was in zijn geheel bezit van de stad dat daarnaast ook grote delen van de beide oldambten en de veenkoloniën bezat.

Belfort
Wachttoren met een stormklok, komt voornamelijk in Vlaanderen voor waar de steden in de Middeleeuwen het recht hadden een belfort te bouwen. Het enige Nederlandse belfort staat in de stad Sluis. De naam stamt af van het oud-Frans `belefroi`.

Belt
Heuveltje

Beltmolen
Molen (korenmolen) op een (kunstmatig) heuveltje, waarbij de wal de stelling vervangt.

Belvédère, Nota
Beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting.

Bemaling
Het op de gewenste hoogte houden van het waterpeil in een polder of boezem door middel van gemalen of molens.

Berceau
Aangelegd en met bomen overgroeid pad in een park of op een landgoed, bijvoorbeeld de 400 meter lange ‘Groene Bedstee’ van haagbeuken op het landgoed Mariëndaal bij Arnhem.

Berg
Zie donk.

Bergbezinkbasin
Ondergronds bassin in het rioolstelsel, dat tijdens hevige regenbuien het teveel aan rioolwater tijdelijk opvangt, zodat het niet in een (overstort)vijver terechtkomt. Is er weer genoeg ruimte in het riool dan kan het water daar alsnog heen.

Beuk
Ruimte tussen de gebintstijlen in de lengterichting van boerderij of schuur

Bezinkveld
Vakken langs de kust van Groningen en Friesland, begrensd door dammen van rijshout, ter bevordering van een snelle sedimentatie

Bicht
Afgeperkt terrein

Bies(t)
Zie dries

Biezen
Gebied met oevergewassen.

Binnendijks
Deel van het rivierengebied dat door winterdijken wordt beschermd tegen de invloed van de rivier.

Binnenduinen
Zie duinen

Binnenteen
Voet van de binnenglooiing van de dijk. In het rivierengebied staan hier vaak de boerderijen.

Blauwgoedkooi
Eendenkooi waar zogeheten `blauwgoed` wordt of werd gevangen. Onder `blauwgoed` verstaat de kooiker de slobeend, zomertaling, wintertaling, pijlstaart, smient en krakeend. Ook de duikeenden (o.a. kuifeend, tafeleend) rekent hij tot het blauwgoed.

Blauwgrasland
Voedselarm, onbemest vochtig hooi- of weiland dat vroeger één keer per jaar in de zomer werd gehooid. De naam is afkomstig van de blauwachtig gekleurde grassen die er groeien. Soms staan deze weilanden `s winters onder water. De belangrijkste grassoort is het pijpenstrootje, maar ook borstelgras en blauwe zegge komen voor.

Bleek, -veld, -land
Grasveld in een dorp waarop linnengoed te bleken werd gelegd. Wordt ook wel dorpsbleek genoemd.

Blick
Drassige gronden

Blok
Stuk bouwland in een Zeeuwse polder; bij de inpoldering werd de polder verdeeld onder de geldschieters, die elk een blok land toebedeeld kregen.

Blokland
Aan alle zijden besloten land

Blokverkaveling
Oudste verkavelingstype, verdeling in relatief kleine, rechthoekige of onregelmatige percelen. Volgt de loop van natuurlijke elementen zoals een beek of een heuvel. Zie ook andere typen verkaveling

Bo(a)venkamer
Uitbouw tegen de voorgevel van een Twentse boerderij waar de oude boer met zijn vrouw gingen wonen na de overname van het bedrijf door de kinderen. Wordt ook wel endskamer genoemd.Huisje dat aan de boerderij werd gebouwd voor de ouders van de boer.

Bocagelandschap
Heggenlandschap, door heggen of muurtjes omgeven velden

Bocht
Wei- of hooiland

Bodemvocht
Het water in de bodem boven de grondwaterspiegel.

Bodemwater
Grondwater en bodemvocht.

Boekengrond
Lössachtige grond aan de Veluwezoom waar veel beuken groeien.

Boenstoep
Aan brede sloot gelegen stoep waar men o.a. melkbussen en emmers boent en water kan scheppen.

Boerderaar
Namaakboerderij.

Boerderette
Nieuwbouwwoning in de stijl van een oude boerderij. Het begrip is geïntroduceerd door Wim T. Schippers.

Boerenerf
De grond rondom de boerderij die niet gebruikt wordt voor de verbouw van producten of beweiding, maar voor de verwerking en de opslag van de producten. Naast de boerderij staan er op het erf schuren: Op een akkerbouwbedrijf staan hoge grote schuren voor de aardappelen en bieten. Vroeger was dat een speciale schuur die verzonken in de grond lag met een geïsoleerd dak tegen de vorst. Op een melkveehouderij staat een loopstal met een melkkuil. Deze schuren zijn minder hoog en open. Soms is er een grupstal of een potstal en dan is er een mestplaat. Hier is ook een kuil voor het voer of zoals vroeger de hooimijt en in Noord-Holland de typische hooischuur. Vaak is er een open kapschuur met al het materieel. Rondom het erf groeit een singelbeplanting. Hoge bomen met eronder struiken of alleen bodembedekkers. De laatste singel tref je aan bij veehouders die graag vanuit de boerderij het vee willen zien en dan onder de bomen door kunnen kijken. Het gesloten erf met struiken is te vinden bij de akkerbouwer die de wind en kou graag weghoudt van het erf. Op de zuidzijde van de boerderij is de bongerd of kleine boeren boomgaard met hoogstam fruit. Soms is die omgeven met een besdragende struikrand. Aan deze zijde ligt ook de moestuin van een haag voorzien met struiken. Aan de ander kant van de boerderij lag een weitje voor zieke koeien, een geit en wat schaapjes. Soms in gebruik als bleekveldje voor de was. Tegen en voor de boerderij staan vaak leilinden of andere knotbomen zoals wilg en knotiep.

Boerenorganisaties
Organisaties van boeren die regels voor het gebruik van de agrarische gronden opstelden en daarmee het ontstaan van het cultuurlandschap in belangrijke mate bepaalden. In Drenthe buurschappen, in Overijssel en Gelderland marken en in Brabant gemeinten genoemd. In Drenthe werd er streng op toegezien dat buitenstaanders geen eigen bedrijfje op het veld opzetten (o.a. door ontbreken van de adel), in Overijssel en Gelderland werden wel stukjes grond aan beginnende boeren verkocht en in Brabant en Limburg, waar de woeste gronden geen gemeenschappelijk bezit waren, werd kolonisten geen strobreed ion de weg gelegd. In de 19e eeuw kwam er door wetgeving (de markenwet van 1886 waardoor verkoop van markengrond mogelijk werd) en de invoering van kunstmest snel een einde aan het traditionele beheer van gemeenschappelijke gronden.

Boermarke
Organisatie van dorpsboeren die zaken als het gebruik van de woeste gronden, de brink, het plaggensteken, het onderhoud aan houtwallen en het weiden van vee regelde.

Boet
Kleine schuur voor opslag van hooi en ander voer met een karakteristieke vorm. De schuur heeft een zadeldak dat een één zijde schuin afloopt (zuidwesten). De boet komt voor op Texel en in mindere mate in West-Friesland op land dat ver bij de boerderij vandaan ligt. Het is geen schapenschuur, maar schapen kunnen wel bij de boet schuilen.

Boet
Houten topgevel in de luwte om zo wagens met hooi door het bovenluik te kunnen lossen.

Boezem
Het stelsel van wateren (meren, vaarten e.d.) die tot voorlopige berging van het polderwater dienen, alvorens het in het buitenwater geloosd kan worden. Het water in de boezem kan door sluizen met of zonder bemalingswerktuigen (gemaal) op het buitenwater worden geloosd. Soms gaat het eerst naar een andere, op gelijk niveau liggende boezem, of naar een hoger gelegen voorboezem. In droge tijd kan boezemwater gebruikt worden om extra water in te laten.

Boezemgebied
Al het polderland dat zijn water op een bepaalde boezem loost.

Boezemland
Niet ingepolderd land dat zonder bemaling (dus op natuurlijke wijze) zijn afwatering op een boezem heeft.

Bolster(turf)
Lichtbruin gekleurd hoogveenproduct uit grauwveen - witveen (de laag onder de bonkaarde). Is alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel. Zie droge vervening.

Bolwerk
In eerste instantie een veelal rond verdedigingswerk voor of buiten een stadsmuur of -omwalling. Later een vijfhoekige uitbouw van een vestingmuur of wal en in die betekenis Nederlands synoniem voor het Franse bastion.

Bonkaarde, bonkveen
Bovenste laag aarde in hoogveengebieden. Wordt eerst verwijderd en opgeslagen. Deze bonkaarde wordt later door de onderliggende zandgrond gemengd (de ontginning van dalgronden), waardoor een betere structuur ontstaat en de grond geschikt wordt (na bemesting) voor akkerbouw en met name voor de aardappelteelt. Zie droge vervening.

Boo
Stal in het veld waar de booheer (veehoeder) `s zomers met zijn vee verbleef (17e eeuw); er is er één in het Drentse Schoonebeek overgebleven, aldaar ook wel sennhütte genoemd.

Boomgaard
Zie laagstamboomgaard en hoogstamboomgaard.

Borg
Groningse edelmanswoning (vroeger bezit van een `Ommelandse jonker`), in Friesland ook wel state of stins(e) geheten.

Borg
Vesting

Boszone
Zie duinen

Bovenlanden
Veenruggen, gespaard tijdens de veenontginningen, vaak in of langs droogmakerijen. Op de bovenlanden liggen nu vaak dorpen en wegen.

Brandingsrug
Door branding opgeworpen zandrug.

Brandmuur
Stenen binnenmuur tussen woon- en bedrijfsgedeelte van een boerderij om bij brand het vuur te weren of de verspreiding te voorkomen - vertragen

Breek
Term voor wiel die voornamelijk rond Amsterdam voorkomt (Wilmkebreek, Kadoelerbreek, Buiksloterbreek en Schellingwouderbreek).

Breuktrede
Trede in het aardoppervlak die is ontstaan als gevolg van ondergrondse verticale bewegingen van twee naast elkaar gelegen schollen van de aardkorst. Komen voor in Noord-Brabant en Limburg.