Zoek op

trouwdag

de trouwdag zelfst.naamw. (m.) Uitspraak:   ['trɑudɑx] Verbuigingen:   trouw|dagen (meerv.) dag waarop je met je partner trouwt of getrouwd bent Voorbeelden:   `Zij droeg op haar trouwdag een lange witte jurk met een sleep.`, `ieder jaar je trouwdag vieren...
Gevonden op https://www.woorden.org/woord/trouwdag

TROUWDAG

1) Bruiloftsdag 2) Datum van trouwen 3) Feestelijke herdenking 4) Huwelijksdag 5) Viering van een gedenkdag
Gevonden op https://www.mijnwoordenboek.nl/puzzelwoordenboek/TROUWDAG/1
Geen exacte overeenkomst gevonden.