
aanlopen werkw. Uitspraak: [ 'anlopə(n) ] Afbreekpatroon: aan·lo·pen Vervoegingen: liep aan (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: is aangelopen (volt.deelw.)
1) korte tijd bezoeken Voorbeelden: 'Grote schepen kunnen moeiteloos de Rotterdamse haven aanlopen.' , 'even bij je oma aanlopen' Synoniem: binnenlopen
2) een bepaal...Gevonden op
https://woorden.org/woord/aanlopen

1) Langskomen 2) In het voorbijgaan bezoeken 3) Aanwaaien 4) Aanwippen 5) Naderen 6) Wrijving ondervinden 7) Bezoek 8) Langslopen
Gevonden op
https://mijnwoordenboek.nl/puzzelwoordenboek/Aanlopen/1

oplopen, hoger worden, vermeerderen, toenemen. - Voorbeeld: ‘
Maanden reeds moest al 't geen ze in 't huishouden vandoen had, op de plak gehaald worden, en met niets dan 't hoognodige, bleek de schuld zo aangelopen, dat ze zelf niet meer naar de winkel gaan dorst, er de kinders op afstuurde’
Gevonden op
https://dbnl.org/tekst/leme001taal02_01/leme001taal02_01_0004.php

een haven binnenkomen en aanleggen; door verhitting verkleuren
Gevonden op
https://uitleenwoordenbank.ivdnt.org/index.php/uitleen/zoek_gecombineerd_ca

ergens naar toe varen , meestal met het doel er ligplaats te kiezen. O.a. genoemd in: Woordenboek der Nederlandsche taal 1882 De Vries & Te Winkel.
Gevonden op
https://www.binnenvaarttaal.nl/zoek.php?woord=aanlopen

Horizontale knieën in voordek, onder andere bij botter.
Gevonden op
https://www.ssrp.nl/begrippenlijst/aanlopen
Geen exacte overeenkomst gevonden.