assembleren werkw. Uitspraak: [ ɑsɑm'blerə(n) ] Afbreekpatroon: as·sem·ble·ren Vervoegingen: assembleerde (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: heeft geassembleerd (volt.deelw.) 1) onderdelen monteren tot een product Voorbeelden: 'Bouwen wordt steeds meer assembleren.' , 'Hier worden personenwagens gebouwd en geassembleerd.' ... Gevonden op https://woorden.org/woord/assembleren
(Eng: to assemble) 1. Samenstellen uit aanwezige elementen of onderdelen. 2. Vertalen van een bronprogramma dat geschreven is in een assembleertaal in een machinetaal. Het assembleren gaat meestal gepaard met het koppelen van subprogramma's, het bepalen en vastleggen van de benodigde geheugenruimte en het diagnostiseren van syntaxfouten. Gevonden op https://www.angelfire.com/ca/vlietstra/CADCAM.pdf
Het samenvoegen van verschillende onderdelen teneinde een werkzaam geheel te krijgen. Categorie: Procédés en Technieken > additieve- en verbindingsprocédés en -technieken. Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10491
Samenvoegen, na de wijnbereidingen worden wijnen afkomstig van verschillende wijnstoksoorten, met elkaar tot een evenwichtig geheel door elkaar gemengd. Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10942