Zoek op

bijten

bijten werkw.Uitspraak:   [ˈbɛitə(n)] Verbuigingen:   beet (verl.tijd enkelv.) Verbuigingen:   heeft gebeten (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen 1) met je tanden vastgrijpen Voorbeelden:   `op je nagels bijten`, `De hond heeft de buurjon...
Gevonden op http://www.woorden.org/woord/bijten

bijten

fluisteren
Gevonden op http://home.planet.nl/~dumon002/woordenboek/alfa.html

bijten

• [ov] iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen.
Gevonden op http://nl.wiktionary.org/wiki/bijten

Bijten

Uit `De lagere vaktalen: Taal der smeden en koperslagers ` 1914 deze vijl bijt niet meer: is versleten.
Gevonden op http://www.dbnl.org/tekst/ginn001hand02_01/ginn001hand02_01_0009.php

bijten

door het hakken van bijten, wakken, door het ijs geraken: doorijzen. Zie ook in- en uitbijten
Gevonden op http://www.debinnenvaart.nl/binnenvaarttaal/woord.php?woord=bi

bijten

de tanden ergens inzetten (toon de herkomst via de etymologiebank)
Gevonden op http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/bijten

bijten

Het inwerken van het etswater (zuur) op die delen van de etsplaat die niet zijn afgedekt door lak of etsgrond. Vroeger werd het etswater over de schuin geplaatste etsplaat gegoten, later (vanaf de 18e eeuw) werd de etsplaat geheel ondergedompeld in een etsbad.
Gevonden op http://www.gianottenprintedmedia.nl/grafisch-woordenboek/details/bijten

bijten

je tanden ergens in zetten vb: hij beet in de appel
gebeten zijn op iets of iemand [boos zijn uit haat of jaloezie]
Gevonden op http://www.muiswerk.nl/mowb/?word=bijten
Geen exacte overeenkomst gevonden.