Zoek op

spruiten

spruiten werkw.Uitspraak:   ['sprœytə(n)] Verbuigingen:   sproot (verl.tijd enkelv.) Verbuigingen:   is gesproten (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen 1) (van een plant) uitlopers krijgen Voorbeeld:   `De plant begint te spruiten.` 2)
Gevonden op https://www.woorden.org/woord/spruiten

SPRUITEN

1) Afkomstig zijn 2) Afstammen 3) Botten 4) Groente 5) Kinderen 6) Kleine kinderen 7) Landbouwgewas 8) Ontkiemen 9) Ontluiken 10) Ontspruiten 11) Scheuten 12) Schoten 13) Soort groente 14) Soort kool 15) Stammen 16) Stekken 17) Uitbotten 18) Uitlopen 19) Uitlopers krijgen 20) Uitschieten 21) Voortkomen 22) Voortspruiten
Gevonden op https://www.mijnwoordenboek.nl/puzzelwoordenboek/SPRUITEN/1

Spruiten

Uit `De lagere vaktalen: De taal der hopkweekers` 1914 d' hop spruiten: ze bespuiten met een zeker vocht om 't ‘zwart’ te dooden. Zie spruitsel en zwart.
Gevonden op http://www.dbnl.org/tekst/ginn001hand02_01/ginn001hand02_01_0009.php

spruiten

loten vormen (toon de herkomst via de etymologiebank)
Gevonden op http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/spruiten

spruiten

• [erga] "~ uit": voortkomen of voortvloeien uit.
Gevonden op https://nl.wiktionary.org/wiki/spruiten
Geen exacte overeenkomst gevonden.