breken werkw. Uitspraak: [ ˈbrekə(n) ] Afbreekpatroon: bre·ken Vervoegingen: brak (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: heeft/is gebroken (volt.deelw.) in stukken maken of gaan Voorbeelden: 'een glas breken' , 'glas breekt gemakkelijk' Synoniemen: : kapotmaken, kapotgaan een code breken (een code ontcijferen) een potje kunnen breken bij iem... Gevonden op https://woorden.org/woord/breken
Het in stukjes uiteensplijten of in delen of scherven uiteenspatten, meestal plotseling en hevig, als gevolg van een klap of drukuitoefening. Categorie: Procédés en Technieken > vernietigen. Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10491
Uit `De lagere vaktalen: De tabakbewerkerstaal` 1914 1. tabak -: met walsen klein maken; 2. 't veld -: geitsen.
Gevonden op https://encyclo.nl/lokaal/10742