[Let op: Spelling en uitleg uit 1890] oudtijds, goederen in pacht uitgegeven tegen de derde of vierde garf, d.w.z. dat van elke drie of vier garven de verpachter, de grondeinaar er ééne kreeg. Gevonden op https://dbnl.org/tekst/beer004woor01_01/beer004woor01_01_0011.php