logeren werkw. Uitspraak: [ loˈʒerə(n) ] Afbreekpatroon: lo·ge·ren Vervoegingen: logeerde (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen: heeft gelogeerd (volt.deelw.) op bezoek zijn en blijven slapen Voorbeeld: 'bij opa en oma logeren' Synoniemen: bivakkeren leven overnachten resideren verblijven wonen Gevonden op https://woorden.org/woord/logeren