Kopie van `F.A. Stoett - Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden`

De woordenlijst staat niet (meer) online. U ziet hieronder een kopie van de informatie. Het kan zijn dat de informatie niet meer up-to-date is. Wees dus kritisch bij het beoordelen van de waarde ervan.
Categorie: Taal en literatuur > Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden
Datum & Land: 01/11/1914, NL
Woorden: 3883


Aagje
Spreekwoorden: (1914) Nieuwsgierig Aagje.
Deze zegswijze, zonder of met het bijvoegsel van Enkhuizen, is ontleend aan ‘T Leven en Bedrijf van Clement Marot. Uit het Fransch in

aal
Spreekwoorden: (1914) Hij is zoo glad als een aal,
d.i. men heeft geen vat op hem, hij weet zich door zijne slimheid uit alle ongelegenheden te redden; vroeger ook in de bet.: daar is niets van hem te halen, hij is geldeloos, ‘zoo naakt als een luis’. Vgl. fr. il est glissant comme une anguille; hd. er ist so glatt wie ein Aal; aalglatt; nd. he is so glatt as en Al; eng. he is as slipp...

aal bij de staart hebben
Spreekwoorden: (1914) Een aal bij den staart hebben
d.i. zich bezig houden met eene zaak of onderneming, die wel denkelijk uit de hand ontglippen of mislukken zal. In het mlat. qui tenet anguillam per caudam, non habet illam (Werner, 80); bij Goedthals, 18: eenen palingh bij den steerte hebben, a grand pêcheur eschappe anguille; Campen, 118: hij is te holden as een Ael by den stert; Sartorius...

aan boord klampen
Spreekwoorden: (1914) Iemand aan boord klampen,
hetzelfde als iemand aanklampen; vgl. o.a. in Hooft's Gedichten I, 236:

Aan boord komen
Spreekwoorden: (1914) Aan boord komen
in de uitdrukking iemand (met iets) aan boord komen in den zin van iemand op zijde loopen, naar hem toe komen om hem aan te spreken (fr. aborder), iemand lastig vallen, hetzij met woorden: onderhouden, de les lezen, met een voorstel lastig vallen; hetzij met daden: aanranden, te lijf gaan. Eene sedert de 16<sup>de<-sup> eeuw gewone uit...

aan de balk schrijven
Spreekwoorden: (1914) Iets (met een krijtje) aan den balk schrijven.
Dit zegt men van iets, dat weinig voorkomt, iets zeldzaams. Vroeger, en in sommige streken geschiedt het nog, schreef men merkwaardige gebeurtenissen aan de balken van de zoldering, waar het niet kon worden uitgewischt en gemakkelijk in het oog viel. Zoo teekent men in Friesland, in de herbergen aan den balk op, wie het eerst over ijs, op schaatse...

aan de dijk zetten
Spreekwoorden: (1914) Iemand aan (of op) den dijk zetten (of jagen).
Tuinman I, 316 citeert een oud paard jaagt men aan den dyk, en geeft daarbij de volgende verklaring: ‘dit word toegepast op oude afgesloofde en afgeleefde menschen, die na een langduurigen en getrouwen dienst, wanneer zy niet meer werken konnen, ondankbaarlyk verstooten en verlaten worden. Dus krygen zij 's werelds loon. Een jong hoveling wo...

Aan de draai zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan (of op) den draai zijn
d.w.z. aan het draaien (vgl. een doordraaier, fri. trochdraeijer), zwaaien, zwieren, aan het pret maken zijn, een vroolijk en losbandig leventje leiden; syn. aan den zwier of aan den rol (zie Ndl. Wdb. XIII, 935), aan de sjou, Zaansch an de rul zijn; 17<sup>de<-sup> eeuw aan de gang zijn (Winsch. 63); in Zuid-Nederland op zwik zijn (Cl...

aan de flep
Spreekwoorden: (1914) Hij is aan de flep,
d.i. hij is aan den drank; vgl. Draaijer, 111: fleppen, drinken, zuipen; an de flep wèzen, drinken3), ook schertsend: diarrhee hebben, waarvoor ook: aan de fledder of de flidderitse wèzen. De oorsprong van dit flep is onbekend; misschien is het een onomatopae, evenals het gelijkbeteekenende fep (vgl. aan de fep zijn) en feppen (drink...

aan de haak
Spreekwoorden: (1914) Aan den haak slaan (krijgen
d.w.z. aanpakken, veroveren; vooral in de beteekenis van een meisje of een vrijer machtig worden om er mee uit te gaan of er mee te trouwen; een beeld ontleend aan de vischvangst. Zie Slop, 237: Gemeen beulswerk.... als je niks anders hebt, sla je dat ook aan den haak; Dievenp. 131: Toch zag z'n moeder kans nog wettelijk 'n man aan den haak te sla...

Aan de haak krijgen
Spreekwoorden: (1914) Aan den haak slaan (krijgen
d.w.z. aanpakken, veroveren; vooral in de beteekenis van een meisje of een vrijer machtig worden om er mee uit te gaan of er mee te trouwen; een beeld ontleend aan de vischvangst. Zie Slop, 237: Gemeen beulswerk.... als je niks anders hebt, sla je dat ook aan den haak; Dievenp. 131: Toch zag z'n moeder kans nog wettelijk 'n man aan den haak te sla...

Aan de haak slaan
Spreekwoorden: (1914) Aan den haak slaan (krijgen
d.w.z. aanpakken, veroveren; vooral in de beteekenis van een meisje of een vrijer machtig worden om er mee uit te gaan of er mee te trouwen; een beeld ontleend aan de vischvangst. Zie Slop, 237: Gemeen beulswerk.... als je niks anders hebt, sla je dat ook aan den haak; Dievenp. 131: Toch zag z'n moeder kans nog wettelijk 'n man aan den haak te sla...

aan de haal
Spreekwoorden: (1914) Aan den haal gaan,
d.w.z. aan of op den loop gaan; het op een loopen zetten, op de vlucht slaan. Het znw. haal behoort bij het wkw. halen, dat intr. opgevat de beteekenis heeft van: hard loopen. Vgl. trekken en de gewestelijke uitdr. in iets geen haal hebben, geen trek hebben in iets. In de 18<sup>de<-sup> eeuw komt de zegswijze het eerst voor; zie Ndl. ...

Aan de haal gaan
Spreekwoorden: (1914) Aan den haal gaan,
d.w.z. aan of op den loop gaan; het op een loopen zetten, op de vlucht slaan. Het znw. haal behoort bij het wkw. halen, dat intr. opgevat de beteekenis heeft van: hard loopen. Vgl. trekken en de gewestelijke uitdr. in iets geen haal hebben, geen trek hebben in iets. In de 18<sup>de<-sup> eeuw komt de zegswijze het eerst voor; zie Ndl. ...

Aan de hand
Spreekwoorden: (1914) Aan de hand (of het handje) zijn
d.w.z. te doen zijn, voorvallen; eig. in behandeling zijn, onder handen zijn, behandeld wordende, gaande zijn, gebeuren; mnl. aen handen sijn; zie Ndl. Wdb. V, 1806; Nest. 61; Lvl. 61; Falkl. VI, 118; Prikk. II, 2.

Aan de hand doen
Spreekwoorden: (1914) Aan de hand doen (iemand iets -),
d.w.z. iemand aan iets helpen; hem iets aanbieden, verschaffen, opleveren; eig. maken dat hij het in handen krijgt; hd. jem. etw. an Handen (oder die Hand) geben. Vgl. Sewel, 312: Iemand iets aan de hand geven, to give one occasion to a thing, to hint to one; Van Effen, Spect. IX, 169; Antw. Idiot. 529 en Ndl. Wdb. V, 1805.

Aan de hand zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan de hand (of het handje) zijn
d.w.z. te doen zijn, voorvallen; eig. in behandeling zijn, onder handen zijn, behandeld wordende, gaande zijn, gebeuren; mnl. aen handen sijn; zie Ndl. Wdb. V, 1806; Nest. 61; Lvl. 61; Falkl. VI, 118; Prikk. II, 2.

Aan de heidenen overgeleverd zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan de heidenen overgeleverd zijn.
Eene aan den Bijbel ontleende zegswijze, om aan te duiden, dat men in handen gevallen is van onmeedogende, onbarmhartige menschen. Zie Matth. 20:19 en Luc. 18:32, waar Jezus aan Zijne discipelen o.a. verkondigt, dat hij aan de heidenen zal overgeleverd worden. Zie Zeeman, 276; C. Wildsch. V, 136: Voor wie gij zo bezorgd zijt even alsof het lief s...

Aan de Joden overgeleverd
Spreekwoorden: (1914) Aan de Joden overgeleverd,
d.i. in kwade handen gevallen. Volgens Laurillard en Zeeman is de zegswijze ontleend aan den Bijbel (vgl. Matth. XXVII:26 en Joh. XVIII:36). Zij komt voor bij Sartorius, I, 6, 1: Asinus inter simias, hy is den Joden gelevert; II, 10, 50: Objicere canibus agnos, den Joden leveren, qui pacatum et litium imperitum, calumniatoribus et exercitatis expo...

aan de kaak stellen
Spreekwoorden: (1914) Iemand (of iets) aan de kaak stellen
d.w.z. iemands schande openlijk bekend maken, laten zien; iemand of iets openlijk aan de verachting van anderen overgeven, ‘aan de schandpaal nagelen’1). De kaak was vermoedelijk oorspr. een ton; later een houten of steenen zuil, een schandpaal, een schandzuil, waarop misdadigers eenigen tijd te pronk gesteld werden en overgegeven werd...

aan de klok hangen
Spreekwoorden: (1914) Iets aan de (groote) klok hangen,
d.w.z. iets alom bekend, ruchtbaar maken; aan elk en ieder overluid vertellen; hd. etwas an die grosze Glocke hängen oder bringen; fr. sonner la grosse cloche. In de 16<sup>de<-sup> eeuw zeide men hiervoor dat is al an die clockreepe voor: dat weet Jan en alleman; zie Campen, 22; Sart. I, 7, 33 en bij Sart. Adagia, p. 147: het han...

Aan de leiband lopen
Spreekwoorden: (1914) Aan den leiband loopen,
d.w.z. zich door anderen laten leiden; niet zelfstandig zijn, niet op eigen beenen gaan. Eig. wordt het gezegd van een kind, dat bij het loopen aan een leiband wordt vastgebonden; vgl. Sewel, 445: Leiband, kinder leiband, a string, whereby children learn to walk by; C. Wildsch. III, 30: Of zoudt gij mij als een kind aan den leiband willen houden? ...

aan de pols voelen
Spreekwoorden: (1914) Iemand (aan) den pols voelen.
Eig. gezegd van den dokter, die een zieke den pols voelt, om te weten of hij koorts heeft of zwak is. Bij overdracht wordt dit gezegd, wanneer men iemands kennis of zijne gezindheid of voornemen wil te weten komen door hem uit te vragen, waarvoor ook iemand polsen (Westvl. puls(t)en van puls(t), pols, uithooren, ondertasten, Gron. puntjen) gebruik...

Aan de rol gaan
Spreekwoorden: (1914) Aan den rol zijn (of gaan)
aan den zwier, den draai zijn of gaan; pierewaaien; zie n<sup>o<-sup>. 483 en 493, en vgl. V. Lennep. K. Zev. I 28: Wanneer hij eens - zoo men 't heet - aan de rol ging, dan rolde hij ook zoo lang door, tot hij niet meer rollen kon. Zie verder Ndl. Wdb. XVIII, 935; 950; V. Ginneken I, 513: gerol, gefuif, en vgl. 17<sup>de<-sup...

Aan de rol zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan den rol zijn (of gaan)
aan den zwier, den draai zijn of gaan; pierewaaien; zie n<sup>o<-sup>. 483 en 493, en vgl. V. Lennep. K. Zev. I 28: Wanneer hij eens - zoo men 't heet - aan de rol ging, dan rolde hij ook zoo lang door, tot hij niet meer rollen kon. Zie verder Ndl. Wdb. XVIII, 935; 950; V. Ginneken I, 513: gerol, gefuif, en vgl. 17<sup>de<-sup...

aan de stok
Spreekwoorden: (1914) Het aan den stok hebben (of krijgen) met iemand
d.w.z. ruzie, oneenigheid hebben of krijgen met iemand2). Harreb. II, 308: Hij krijgt het met hem aan den stok; B. Huet, Rembr.<sup>2<-sup> 348: Hij (De Ruyter) krijgt met een deensch generaal voor een keer het in zulke mate aan den stok, dat hij van boosheid zich de haren uit het hoofd trekt; Lvl. 170: Dezen Vrijdagavond krijgt-i 't h...

aan de stok hebben
Spreekwoorden: (1914) Het aan den stok hebben (of krijgen) met iemand
d.w.z. ruzie, oneenigheid hebben of krijgen met iemand2). Harreb. II, 308: Hij krijgt het met hem aan den stok; B. Huet, Rembr.<sup>2<-sup> 348: Hij (De Ruyter) krijgt met een deensch generaal voor een keer het in zulke mate aan den stok, dat hij van boosheid zich de haren uit het hoofd trekt; Lvl. 170: Dezen Vrijdagavond krijgt-i 't h...

Aan de strijkstok blijven hangen
Spreekwoorden: (1914) Aan den strijkstok blijven hangen
zegt men, wanneer bij een verkoop voordeel wordt behaald. Het beeld is ontleend aan den verkoop van koren of graan, waarbij met een strijkstok, maatstok of strekel, fri, strikel, het zaad, koren, enz. in de maat van boven wordt vlak gestreken. Vgl. Harreb. II, 49: Er blijft veel aan de pan (ook wel aan de maat en den strijkstok) hangen; Amsterdamm...

aan de tand voelen
Spreekwoorden: (1914) Iemand aan den tand voelen,
d.w.z. iemands kennis of gevoelen onderzoeken; hem aan een streng onderzoek onderwerpen; iets trachten uit te vorschen. Deze spreekwijze is ontleend aan het keuren van paarden, waarbij men naar de kroon of afwrijvingsvlakte van de tanden den ouderdom bepaalt (vgl. n<sup>o<-sup>. 1753). Omstreeks het zevende jaar, wanneer de paarden aft...

Aan de touwtjes of zitten
Spreekwoorden: (1914) Aan de touwtjes trekken (of zitten)
d.w.z. het bewind der zaken in handen hebben, de lakens uitdeelen. Oorspronkelijk gezegd van iemand die door middel van touwtjes iets (marionetten?) in beweging brengt; daarna bij overdracht toegepast op iemand die in 't geheim de teugels in handen heeft, alles regelt en bestuurt (zie n<sup>o<-sup>. 1991); vgl. in denzelfden zin de dra...

Aan de touwtjes trekken
Spreekwoorden: (1914) Aan de touwtjes trekken (of zitten)
d.w.z. het bewind der zaken in handen hebben, de lakens uitdeelen. Oorspronkelijk gezegd van iemand die door middel van touwtjes iets (marionetten?) in beweging brengt; daarna bij overdracht toegepast op iemand die in 't geheim de teugels in handen heeft, alles regelt en bestuurt (zie n<sup>o<-sup>. 1991); vgl. in denzelfden zin de dra...

Aan de vruchten kent men de boom
Spreekwoorden: (1914) Aan de vruchten kent men den boom,
d.w.z. 's menschen karakter toont zich in zijne daden; ook gezegd van kinderen met betrekking tot hunne ouders. Eene zegswijze, die ontleend is aan den bijbel, en wel aan Matth VII, 17-20; XII. 33: Luc. VI, 43-44; zie Zeeman, 102 en vgl. mlat ex fructis arbor agnoscitur; arbor sit qualis, fas est cognoscere malis; fructibus ipsa suis quevis cognos...

aan de zolen van zijn schoenen kunnen schrijven
Spreekwoorden: (1914) Iets aan de zoolen van zijn schoenen kunnen schrijven,
d.w.z. op iets niet behoeven te rekenen, vooral van schuldvorderingen gezegd. Vgl. Het Volk 18 Aug. 1915 p. 3 k. 2: Hij moet zich maar eenige offers getroosten, zijn verlofdagen moet hij maar aan de zolen van zijn schoenen schrijven; van betaling voor extra arbeid schijnt geen sprake te zullen zijn; fri. dat kinst mar onder 'e soal fen 'e skoech s...

Aan een dovemans deur kloppen
Spreekwoorden: (1914) Aan eens dooven mans deur kloppen,
d.w.z. geen gehoor krijgen; ook afgewezen worden, niet ingewilligd worden, van een verzoek gezegd. In het Mnl. voor eens doven duer cloppen, naast vedelen vor die dove; bij Sartorius I, 5, 45: 't Is voor een dooffmans deur, nostrates verba fieri dicunt pro surdi foribus, siquidem illinc clamare ac rogitare solent mendici; vgl. Tuinman I, 253; Sewe...

Aan het goede kantoor zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan 't goede (of verkeerde) kantoor zijn
d.w.z. zich tot den juisten (of verkeerden) persoon gewend hebben om iets gedaan te krijgen, 18<sup>de<-sup> eeuw aan de verkeerde deur kloppen1). Zie Harrebomée I, 380: Hij is aan het verkeerde kantoor: Hij komt aan een goed kantoor; III, CXXV: Hij is daar aan een goed kantoor; Ndl. Wdb. VII, 1390; Kmz. 376: Ze motte met mijn b...

Aan het handje zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan de hand (of het handje) zijn
d.w.z. te doen zijn, voorvallen; eig. in behandeling zijn, onder handen zijn, behandeld wordende, gaande zijn, gebeuren; mnl. aen handen sijn; zie Ndl. Wdb. V, 1806; Nest. 61; Lvl. 61; Falkl. VI, 118; Prikk. II, 2.

Aan het kortste eind trekken
Spreekwoorden: (1914) Aan het langste (of kortste) eind trekken
d.i. het voordeel (of nadeel) hebben, er het best (of slechtst) aan toe zijn, het winnen (of verliezen). Deze uitdr. dateert uit de middeleeuwen,

Aan het laatje zitten
Spreekwoorden: (1914) Aan het laatje zitten,
d.w.z. aan de regeering zijn, aan de (staats)ruif zitten, ‘over de geldmiddelen te beschikken hebben, veelal met de bijgedachte dat men daarvan profiteert’ (Ndl. Wdb. VIII, 899). Zie Harreb. I, 192: Die bij de flesch (of aan de lade) zit, zegent zich zelven (of het eerst); De Amsterdammer, 17 Aug. 1913, p. 1 k. 2: De heer Dr. Kuyper, w...

Aan het langste eind trekken
Spreekwoorden: (1914) Aan het langste (of kortste) eind trekken
d.i. het voordeel (of nadeel) hebben, er het best (of slechtst) aan toe zijn, het winnen (of verliezen). Deze uitdr. dateert uit de middeleeuwen,

aan het lijntje hebben
Spreekwoorden: (1914) Iemand aan het lijntje hebben (-houden
d.w.z. iemand in zijne macht hebben, houden, of krijgen, op zijne hand hebben, tot zijne partij overhalen; vroeger ook: iemand aan zijn (of een) snoer hebben of krijgen; iemand aansnoeren (Ndl. Wdb. I, 328; 17<sup>de<-sup> eeuw: iemand aan zijn koord krijgen; aan zijn ling (?1)) hebben (Lichte Wigger, 6, r); in Twente: eenen an 't t&ou...

aan het lijntje houden
Spreekwoorden: (1914) Iemand aan het lijntje houden,
d.w.z. iemand vasthouden, niet loslaten, iemand door gedurig uitstellen misleiden, mnl. enen lopende houden; iemand aan (of op) het sleeptouw houden, of, zooals Vondel zegt in de Leeuwendalers, vs. 1308; Iemand aan het lange touw houden; 17<sup>de<-sup> eeuw: iemand ophouden; 18<sup>de<-sup> eeuw: iemand in 't lange pak lat...

Aan het roer zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan het roer zijn (of zitten)
d.w.z. aan het bestuur zijn, het schip van staat sturen; ook aan het roer komen, aan het bestuur komen, de leiding krijgen; hd. ans Ruder kommen. Zie Winschooten, 211: Aan het roer staan, het roer houden

Aan het roer zitten
Spreekwoorden: (1914) Aan het roer zijn (of zitten)
d.w.z. aan het bestuur zijn, het schip van staat sturen; ook aan het roer komen, aan het bestuur komen, de leiding krijgen; hd. ans Ruder kommen. Zie Winschooten, 211: Aan het roer staan, het roer houden

Aan het verkeerde kantoor zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan 't goede (of verkeerde) kantoor zijn
d.w.z. zich tot den juisten (of verkeerden) persoon gewend hebben om iets gedaan te krijgen, 18<sup>de<-sup> eeuw aan de verkeerde deur kloppen1). Zie Harrebomée I, 380: Hij is aan het verkeerde kantoor: Hij komt aan een goed kantoor; III, CXXV: Hij is daar aan een goed kantoor; Ndl. Wdb. VII, 1390; Kmz. 376: Ze motte met mijn b...

Aan het vinketouw zitten
Spreekwoorden: (1914) Aan (of op) het vinketouw) zitten
d.i. ongeduldig en gespannen zitten wachten om iets te kunnen doen, zijn slag te kunnen slaan; eig. aan de treklijn zitten, waardoor de deuren van het vinkennet worden dichtgeslagen (zie Chomel II, 1252). Vgl. De Amsterdammer, 18 Oct. 1914 p. 2: Daarom mijne heeren, op het vinkentouw, scherp uitgekeken naar alle kanten en als er een vogeltje te va...

Aan iemand een hekel hebben
Spreekwoorden: (1914) Aan iemand (of iets) een hekel hebben
d.w.z. van iemand of iets een afkeer hebben, aan iemand het land hebben. De uitdr. schijnt vrij jong te zijn en eerst in de 18<sup>de<-sup> eeuw voor te komen; Ndl. Wdb. VI, 493; Harreb. I, 299. In het Oostfri. volgens Ten Doornkaat Koolman II, 8: sê hed 'n häkel up hum. De etymologie van dit znw. hekel is nog onzeker; zie e...

Aan iets een hekel hebben
Spreekwoorden: (1914) Aan iemand (of iets) een hekel hebben
d.w.z. van iemand of iets een afkeer hebben, aan iemand het land hebben. De uitdr. schijnt vrij jong te zijn en eerst in de 18<sup>de<-sup> eeuw voor te komen; Ndl. Wdb. VI, 493; Harreb. I, 299. In het Oostfri. volgens Ten Doornkaat Koolman II, 8: sê hed 'n häkel up hum. De etymologie van dit znw. hekel is nog onzeker; zie e...

Aan iets geen mouw weten te naaien
Spreekwoorden: (1914) Aan iets geen mouw(en) weten te passen (of te naaien)
d.w.z. iets niet weten te helpen, klaar te spelen; er geen kop aan weten te klinken of te krijgen2); geen raad voor of met iets weten, geen middel weten om iets in orde te brengen, iets niet weten te plooien; eig. gezgd van een kleermaker of eene naaister, die geen kans ziet een mouw aan het een of ander lijf te passen, en dateerend uit den tijd, ...

Aan iets geen mouw weten te passen
Spreekwoorden: (1914) Aan iets geen mouw(en) weten te passen (of te naaien)
d.w.z. iets niet weten te helpen, klaar te spelen; er geen kop aan weten te klinken of te krijgen2); geen raad voor of met iets weten, geen middel weten om iets in orde te brengen, iets niet weten te plooien; eig. gezgd van een kleermaker of eene naaister, die geen kans ziet een mouw aan het een of ander lijf te passen, en dateerend uit den tijd, ...

Aan lagerwal geraken
Spreekwoorden: (1914) Aan lagerwal geraken (zijn
d.w.z. achteruit gaan in zijne zaken; in het achterschip geraken; in de neer zijn (o.a. Zandstr. 50); zie Winschooten, 350 en 180: aan leeger wal sijn, ongelukkig zijn, in het onderspit leggen; Witsen, 498, die mededeelt, dat men onder den lagerwal eig. verstaat ‘het landt, daer de windt na toe waeit, en oneig. van jemandt gezegdt werdt die ...

Aan lagerwal zijn
Spreekwoorden: (1914) Aan lagerwal geraken (zijn
d.w.z. achteruit gaan in zijne zaken; in het achterschip geraken; in de neer zijn (o.a. Zandstr. 50); zie Winschooten, 350 en 180: aan leeger wal sijn, ongelukkig zijn, in het onderspit leggen; Witsen, 498, die mededeelt, dat men onder den lagerwal eig. verstaat ‘het landt, daer de windt na toe waeit, en oneig. van jemandt gezegdt werdt die ...

aan zijn angel krijgen
Spreekwoorden: (1914) Iemand aan zijn angel krijgen.
Een angel is een vischhaak, waaraan men aas doet om de visch te verlokken er in te bijten en ze zoo te vangen. Figuurlijk wordt deze uitdr. gezegd van menschen: door een lokaas, dat men hun aanbiedt, in zijn macht krijgen; eng. to hook one; to keep one on the hook(s). Men zegt dan, dat zij aan den angel bijten, vastraken, enz.; Ndl. Wdb. II<sup...

aan zijn laars
Spreekwoorden: (1914) Iets aan zijn laars (zijn zolen, zijn botten
d.i. iets niet tellen, er niets om geven, er geen drukte over maken hetzelfde als iets aan zijn gat vegen (fr. se ficher de quelque chose; 17<sup>de<-sup> eeuw iets aan zijn been binden, knoopen); Tuinman II, 207: hij vaagt daar zyn hielen aan; Harreb. I, 308: iets achter zijne hielen lappen of plakken; II, 253: dat lap ik onder mijn s...

aandeel van de leeuw
Spreekwoorden: (1914) Het aandeel van den leeuw
d.i. het geheele bezit of het grootste deel van iets, dat een machthebbende zich aanmatigt, in plaats van het naar recht en billijkheid met anderen te deelen. Deze uitdrukking is ontleend aan de fabel, waarin een koe, een geit en een schaap met den leeuw op jacht gaan en afspreken, dat ieder een gelijk gedeelte van den buit zal krijgen. Als eindel...

Aangeboden dienst is zelden aangenaam
Spreekwoorden: (1914) Aangeboden dienst is zelden aangenaam.
Deze spreekwijze wordt o.a. aangetroffen in de Prov. Seriosa, 123: Gheboden dienst es onwaert, dicitur oblatum fore servitum male gratum; bij Plantijn: Aengeboden dienst is dickwils onweerdt, service offert est souvent desdaingné, ou inagreable; Sartorius I, 10, 24: Merx ultronea putet, gheboeden dienst is onwaerdt; Servilius, 6*: Ad consil...

aangenomen
Spreekwoorden: (1914) Aangenomen werk.
In de uitdr. het is geen aangenomen werk, het heeft zoo'n haast niet, het is geen werk dat op een bepaalden tijd moet gereed zijn; Harrebomée II, 453: Het is geen aangenomen werk, gij behoeft u niet te haasten; Fri. it is giin oannommen wirk. Vgl. mnl. taswerc, 17<sup>de<-sup> eeuw en Zaansch hoopwerc, in de uitdr. tasweerc, ras...

Aangenomen werk
Spreekwoorden: (1914) Aangenomen werk.
In de uitdr. het is geen aangenomen werk, het heeft zoo'n haast niet, het is geen werk dat op een bepaalden tijd moet gereed zijn; Harrebomée II, 453: Het is geen aangenomen werk, gij behoeft u niet te haasten; Fri. it is giin oannommen wirk. Vgl. mnl. taswerc, 17<sup>de<-sup> eeuw en Zaansch hoopwerc, in de uitdr. tasweerc, ras...

Aangeschoten
Spreekwoorden: (1914) Aangeschoten.
Een der vele woorden voor: een weinig dronken, half onder de pannen zijn (Jord. 252), half kanes zijn (Jord. 288), half teut zijn (Jord. 147), half bezaanschoot an (in Prol. 10); gewit zijn (in Prol. 11). Oorspronkelijk is het een jagersterm. De jagers verstaan onder aanschieten ‘het wild met een schot treffen, doch zóó dat het...

aangezicht
Spreekwoorden: (1914) Uit iemands aangezicht gesneden zijn,
d.i. sprekend op iemand gelijken. Vgl. Sartorius II, 8, 47: Aut Plato Philonissat, aut Philo Platonissat, Malkander soo gelijck, of d'een uyt d'anders hert gesneden waer. Per allegoriam torqueri poterit ad quosvis inter sese vehementer similes. Quia vero hic morum similitudo potissimum significatur, ut diximus nostrate lingua, Of de een uyt des an...

aangezicht
Spreekwoorden: (1914) Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht,
d.i. wie van zijne nabestaanden kwaad spreekt, deelt zelf in de schande. Vgl. Fridank, 118, 3: Sin selbes schande er mêret der sîn geslehte unêret; mnl. sijns selfs locht scuut hi sere, die sinen gheslachte sprecht onnere1). Zie verder Campen bl. 8: wie syn noese afsnijdet, die schendet syn aensicht, variant van die zyn neus snyd...

Aanhangen als een klis
Spreekwoorden: (1914) Aanhangen als eene klis (of als klissen)
d.w.z. steeds bij iemand blijven, hem steeds vergezellen, niet loslaten, als ware men aan hem verbonden, aan hem vastgekleefd, zooals een klis dat doet. Onder een klis verstaat men namelijk een stekeligen knop van klissekruid, die op wollige stof geworpen, daaraan vastkleeft1). In de 16<sup>de<-sup> eeuw komt de zegswijze voor bij Anna...

Aanhangen als klissen
Spreekwoorden: (1914) Aanhangen als eene klis (of als klissen)
d.w.z. steeds bij iemand blijven, hem steeds vergezellen, niet loslaten, als ware men aan hem verbonden, aan hem vastgekleefd, zooals een klis dat doet. Onder een klis verstaat men namelijk een stekeligen knop van klissekruid, die op wollige stof geworpen, daaraan vastkleeft1). In de 16<sup>de<-sup> eeuw komt de zegswijze voor bij Anna...

aanhouder
Spreekwoorden: (1914) De aanhouder wint,
d.i. wie volhardt, bereikt zijn doel; Sartorius III, 3, 81: Assidua stilla saxum excavat: Aenhouden doet verkrijgen. De stadige aenhouder wint; ook II, 3, 27, waar de volgende verklaring gevonden wordt: significat nihil esse tam arduum, quod diligentiâ curâque non efficiatur.

aanhouder wint
Spreekwoorden: (1914) De aanhouder wint,
d.i. wie volhardt, bereikt zijn doel; Sartorius III, 3, 81: Assidua stilla saxum excavat: Aenhouden doet verkrijgen. De stadige aenhouder wint; ook II, 3, 27, waar de volgende verklaring gevonden wordt: significat nihil esse tam arduum, quod diligentiâ curâque non efficiatur.

aanklampen
Spreekwoorden: (1914) Iemand aanklampen,
d.w.z. iemand, dien men op weg ontmoet, aanspreken; eig. beteekent ‘aanklampen’ door middel van klampen aan iets bevestigen. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen; vgl. Winschooten, 109: klamp een strook houts, dat ergens aan vast gespijkerd werd, om iets anders daar mede vast te hegten: hier van daan klampen; aanklampen, oneigendlijk...

Aanspraak
Spreekwoorden: (1914) Aanspraak hebben op iets,
d.i. het recht hebben om het bezit of genot van iets in rechten te vorderen. Voorheen gold aensprake voor het aanspreken in rechten, de gerechtelijke eisch.2) Nog in de 17<sup>de<-sup> eeuw bezigde men aensprake en

Aanspraak hebben op iets
Spreekwoorden: (1914) Aanspraak hebben op iets,
d.i. het recht hebben om het bezit of genot van iets in rechten te vorderen. Voorheen gold aensprake voor het aanspreken in rechten, de gerechtelijke eisch.2) Nog in de 17<sup>de<-sup> eeuw bezigde men aensprake en

Aanstoot
Spreekwoorden: (1914) Aanstoot geven.
Het znw. aanstoot komt in den bijbel voor in den zin van het voorwerp, waaraan men zich stoot, waarover men kan struikelen, een struikelblok, bijv. Levit. 19, 14: ‘Gy en sult.... voor het aengesicht des blinden geenen aenstoot setten’. Vervolgens beteekent het datgene, dat iemand licht doet vallen (op zedelijk gebied), de aanleiding to...

Aanstoot geven
Spreekwoorden: (1914) Aanstoot geven.
Het znw. aanstoot komt in den bijbel voor in den zin van het voorwerp, waaraan men zich stoot, waarover men kan struikelen, een struikelblok, bijv. Levit. 19, 14: ‘Gy en sult.... voor het aengesicht des blinden geenen aenstoot setten’. Vervolgens beteekent het datgene, dat iemand licht doet vallen (op zedelijk gebied), de aanleiding to...

Aanstoot hebben
Spreekwoorden: (1914) Aanstoot lijden
d.i. aangevallen worden, vijandige bejegening ondervinden. Het znw. aanstoot heeft hier de beteekenis van aanval, aanranding, vijandelijke bejegening met daad of woord, en is de stam van het wkw. aenstoten, dat in de middeleeuwen ook bestoken, aanranden, aanvallen beteekende. Vgl. bijv. Exc. Cron. 204 d: Dye stede was seer vast ende starck.... wel...

Aanstoot lijden
Spreekwoorden: (1914) Aanstoot lijden
d.i. aangevallen worden, vijandige bejegening ondervinden. Het znw. aanstoot heeft hier de beteekenis van aanval, aanranding, vijandelijke bejegening met daad of woord, en is de stam van het wkw. aenstoten, dat in de middeleeuwen ook bestoken, aanranden, aanvallen beteekende. Vgl. bijv. Exc. Cron. 204 d: Dye stede was seer vast ende starck.... wel...

aanzien
Spreekwoorden: (1914) Aanzien doet gedenken,
d.i. ‘het zien van een persoon maakt, dat men aan hem denkt; of wel, het zien van een voorwerp maakt, dat men zich iets verledens herinnert’; Ndl. Wdb. I, 509. Vgl. mnl. aensien doet gedencken2); Plantijn: Aensien doet gedincken, la veue ou regard faict souvenir, aspectus ad memoriam revocat, praesentia memoriam refricat; Goedthals, 24...

Aanzien doet gedenken
Spreekwoorden: (1914) Aanzien doet gedenken,
d.i. ‘het zien van een persoon maakt, dat men aan hem denkt; of wel, het zien van een voorwerp maakt, dat men zich iets verledens herinnert’; Ndl. Wdb. I, 509. Vgl. mnl. aensien doet gedencken2); Plantijn: Aensien doet gedincken, la veue ou regard faict souvenir, aspectus ad memoriam revocat, praesentia memoriam refricat; Goedthals, 24...

Aap
Spreekwoorden: (1914) Aap.
‘Daar de aap leelijk en boosaardig is, lachwekkende bewegingen maakt, sterk op den mensch gelijkt en diens handeling gaarne nabootst (naäapt; fr. singer, hd. nachäffen; eng. to ape a p.), komt hij veel in vergelijkingen, spreekw. zegswijzen en spreekwoorden voor’; Ndl. Wdb. I, 526. O.a. in:

aap in de mouw hebben
Spreekwoorden: (1914) Den aap in de mouw hebben
d.w.z. zijne streken, zijne slinksche oogmerken verbergen. Volgens het Ndl. Wdb. I, 527 en Archief IV, 49 is deze zegswijze afgeleid van de kabaaien met wijde mouwen, waarin de aapjes zich bij hun grappenmaken verscholen en waaruit zij wel eens onverwachts te voorschijn sprongen om te krabben of ander kwaad te doen. Waarschijnlijker is het, dat wi...

Aap wat hebje mooie jongen!
Spreekwoorden: (1914) Aap, wat hebje mooie jongen!
‘Woorden aan iemand in den mond gelegd, die tegenover een persoon voor wien hij bevreesd is en dien hij in zijn hart verfoeit, van den nood eene deugd maakt, door hem te vleien, teneinde hem daardoor in een goed humeur te brengen’ (Ndl. Wdb. I, 527); ook in 't algemeen van iemand, die een ander flikflooit.

aard
Spreekwoorden: (1914) Dat het een aard heeft.
‘Eene gemeenzame uitdrukking (in de 17<sup>de<-sup> eeuw o.a. voorkomend Brederoo II, 216; Com. Vet. bl. 61) die, naar gelang der omstandigheden, de waarde heeft van een der versterkende bijwoorden zeer, sterk, hard, duchtig, terdege, enz., en waarin aard dus, evenals in de zegswijze naar den aard, in de beteekenis van goede, ste...

aardje naar zijn vaartje
Spreekwoorden: (1914) Een aardje naar zijn vaârtje,
van een zoon gezegd, die - hetzij ten kwade of ten goede - naar zijnen vader aardt; Ndl. Wdb. I, 537. Deze zegswijze is in de 17<sup>de<-sup> eeuw al zeer gewoon. Voor bewijsplaatsen zie Harrebomée I, 5; Brederoo III, 191; Ogier, 28:

abc
Spreekwoorden: (1914) Iets kennen als het ABC,
d.i. iets goed van buiten kennen, door en door kennen. Vgl. Tuinman I, nal. bl. 13: Ik ken dat als myn a, b, c; Harrebomée I, 9: Het wordt hem zoo eigen als zijn alphabet. Figuurlijk wordt het ABC evenals in het Fr., Hd. en Eng. ook gebezigd voor de allereerste beginselen eener wetenschap of kunst, die men ook wel het alphabet (fr. l'alphab...

Abraham
Spreekwoorden: (1914) Weten waar Abraham den mosterd haalt.
Bijna allen, die getracht hebben eene verklaring van deze uitdrukking te geven, beweren dat zij eigenlijk moest luiden: ‘weten waar Abraham den mutsaard haalt.’3) Het zou dan eene zinspeling zijn op het verhaal van Abrahams offerande, zooals het staat opgeteekend in Genesis 22, vs. 1-.14 Er bestaat evenwel een groot bezwaar tegen deze ...

Achilleshiel
Spreekwoorden: (1914) Achilleshiel (-pees).
Hiermede bedoelt men ‘het zwakke punt in iemands karakter of zedelijkheid, ook in een betoog of stelsel, naar den hiel van den Griekschen held Achilles, het eenige kwetsbare deel aan het lichaam van dien held. Zijn moeder Thetis had hem, met de bedoeling om hem onsterfelijk te maken, in het water van den Styx gedompeld, doch de hielen, waarb...

Achillespees
Spreekwoorden: (1914) Achilleshiel (-pees).
Hiermede bedoelt men ‘het zwakke punt in iemands karakter of zedelijkheid, ook in een betoog of stelsel, naar den hiel van den Griekschen held Achilles, het eenige kwetsbare deel aan het lichaam van dien held. Zijn moeder Thetis had hem, met de bedoeling om hem onsterfelijk te maken, in het water van den Styx gedompeld, doch de hielen, waarb...

acht
Spreekwoorden: (1914) Acht is meer dan duizend.
Een schertsende woordspeling met het telwoord acht, in de beteekenis van zorgvuldige behartiging zijner zaken, b.v. goed acht slaan op zijn zaken is veel waard; Harreb. I, 9. Ook in het Nederduitsch komt deze zegswijze voor; zie Eckart, 4: Acht is mehr as Dûsend, Acht geben ist besser als Tausende besitzen; Ten Doornk. Koolm. I, 5 b; Taalgid...

Acht is meer dan duizend
Spreekwoorden: (1914) Acht is meer dan duizend.
Een schertsende woordspeling met het telwoord acht, in de beteekenis van zorgvuldige behartiging zijner zaken, b.v. goed acht slaan op zijn zaken is veel waard; Harreb. I, 9. Ook in het Nederduitsch komt deze zegswijze voor; zie Eckart, 4: Acht is mehr as Dûsend, Acht geben ist besser als Tausende besitzen; Ten Doornk. Koolm. I, 5 b; Taalgid...

Achter de bank
Spreekwoorden: (1914) Achter de bank,
meestal verbonden met liggen en raken, soms met werpen of schuiven, wil zeggen in onbruik raken, vergeten worden en verwerpen, ter zijde stellen, afschaffen; zie het Ndl. Wdb. II, 978; Pers, 882 a. In het Friesch zegt men eveneens efter 'e bank reitsje, achter de bank raken, achteraan, uit de mode raken, buiten gebruik komen; hd. unter der Bank li...

achter de hand
Spreekwoorden: (1914) Achter de hand hebben.
Een zeemansuitdrukking ‘toegepast op dat gedeelte van het loopend touwwerk, dat bij het vieren of inhalen achter de hand van den achtersten der vierende of trekkende manschappen op het dek ligt. Vandaar bij overdracht: iets in voorraad hebben tot gebruik bij voorkomende gelegenheid’. In de 18<sup>de<-sup> eeuw voorkomend in...

Achter de hand hebben
Spreekwoorden: (1914) Achter de hand hebben.
Een zeemansuitdrukking ‘toegepast op dat gedeelte van het loopend touwwerk, dat bij het vieren of inhalen achter de hand van den achtersten der vierende of trekkende manschappen op het dek ligt. Vandaar bij overdracht: iets in voorraad hebben tot gebruik bij voorkomende gelegenheid’. In de 18<sup>de<-sup> eeuw voorkomend in...

Achter de knopen hebben
Spreekwoorden: (1914) Achter de knoopen hebben,
d.w.z. opgedronken (alcohol) of opgegeten hebben (zie Van Effen, Spect. XI, 117). In de 17<sup>de<-sup> eeuw ook achter de knopen steken, opdrinken, o.a. Gew. Weeuw. III, 48 en vgl. Van Effen, Spect. IV, 40; XII, 88. Natuurlijk staat achter de knoopen gelijk met ‘in de maag’. Ook in Groningen kent men deze uitdr. voor (eeni...

achter de mouw hebben
Spreekwoorden: (1914) Het (of ze) achter (of in) de mouw hebben
d.w.z. valsch zijn, streken hebben, schijnheilig, onbetrouwbaar zijn, stil en bestendig, maar de knepen inwendig (Gunnink, 107), waarvoor men dial.

achter de oren
Spreekwoorden: (1914) Iets in (of achter)) 't oor (of de ooren) knoopen
d.w.z. zich iets in 't geheugen prenten, iets trachten te onthouden. Vgl. Harreb. II, 149: Iets in het oor knoopen. De zegswijze komt eerst in de 19<sup>de<-sup> eeuw voor. Zie bewijsplaatsen in het Ndl. Wdb. XI, 41; in het fri. ik scil 't him wol goed yn 't ear knoopje, ik zal hem wel goed onderrichten hoe hij te spreken en te handele...

Achter de schermen
Spreekwoorden: (1914) Achter de schermen blijven,
zich achteraf houden, ‘in een beweging de drijfkracht vormen of helpen vormen, zonder er openlijk aan deel te nemen’ (Ndl. Wdb. XIV, 487). Sedert het midden der 18<sup>de<-sup> eeuw is deze uitdr. bekend; ontleend aan het tooneel, waar de regisseur achter de schermen alles regelt. Vgl. Harreb. II, 246: Hij schuilt achter he...

Achter de schermen blijven
Spreekwoorden: (1914) Achter de schermen blijven,
zich achteraf houden, ‘in een beweging de drijfkracht vormen of helpen vormen, zonder er openlijk aan deel te nemen’ (Ndl. Wdb. XIV, 487). Sedert het midden der 18<sup>de<-sup> eeuw is deze uitdr. bekend; ontleend aan het tooneel, waar de regisseur achter de schermen alles regelt. Vgl. Harreb. II, 246: Hij schuilt achter he...

achter de vodden zitten
Spreekwoorden: (1914) Iemand achter de vodden zitten,
d.i. iemand op de hielen zitten; ook hem narijden, achter de broek zitten, achter of op de hakken of vessemen zitten (Schuerm. 755 b); achter het leer zitten (Ndl. Wdb. VIII, 1208); eig. iemand achter de kleeren zitten (vgl. Huygens, Hofw. 2791: Op, luyaerd uyt de Pluym, in de vodden t' is hoogh tijd); fri. immen efter 'e fodden sitte; oostfri.: a...

Achter het net
Spreekwoorden: (1914) Achter het net visschen.
Eig. visschen op eene plaats, die reeds door anderen met het trekgaren, een sleepnet, is afgevischt; dus komen, als er niets meer te vangen is; fig. te laat komen, zijne kans verkeken hebben, ‘iets beproeven dat niets meer kan opleveren doordat een ander de kans reeds heeft waargenomen’. Vgl. Campen, 70: hy visschet altoes achter 't ne...

Achter het net vissen
Spreekwoorden: (1914) Achter het net visschen.
Eig. visschen op eene plaats, die reeds door anderen met het trekgaren, een sleepnet, is afgevischt; dus komen, als er niets meer te vangen is; fig. te laat komen, zijne kans verkeken hebben, ‘iets beproeven dat niets meer kan opleveren doordat een ander de kans reeds heeft waargenomen’. Vgl. Campen, 70: hy visschet altoes achter 't ne...

achterbaks houden
Spreekwoorden: (1914) Iets achterbaks houden
d.w.z. ‘iets verborgen houden, terughouden, niet laten zien; hetzij om het arglistig aan de aandacht van een ander te onttrekken, hetzij om het voor later gebruik te besparen; zich schuilhouden, zich niet vertoonen uit vrees of schaamte.’1) Vgl. ook Sewel, 43: Agterbaks (in 't geheim), in secret, secretly; agterbaks snoepen, to eat dai...

achterdeur openhouden
Spreekwoorden: (1914) Een achterdeur(tje) openhouden.
Een achterdeur is een deur aan de achterzijde van een huis of in den muur van den tuin, waardoor men in tijd van nood of gevaar kan wegvluchten. Figuurlijk wordt dit z.n.w. gebruikt in den zin van een uitvlucht, een middel om zich terug te trekken en voor mogelijke ongelegenheden te vrijwaren; vandaar achterdeurtjes zoeken, uitvluchten zoeken. Vol...

achterste tegen de krib zetten
Spreekwoorden: (1914) Het achterste tegen de krib zetten
d.w.z. zich stijfhoofdig tegen iets verzetten, zich dwars tegen iets aankanten. Eigenlijk gezegd van koppige paarden, die niet uit den stal willen. Zie Tuinman I, 227: Hy zet zyn' aars tegen de krib: Dit zegt men van een styfkoppigen dwarspaal, die noch ter roer, noch ter hand wil, maar zich dwars tegen iets aankant. 't Is genomen van een paard, d...

Ad patres
Spreekwoorden: (1914) (Ad) patres,
in de uitdrukking ad patres zijn, d.w.z. naar zijne voorvaderen zijn, overleden zijn, dial. naar de paters gaan, syn. van Abraham gezien hebben (Bergsma, 175)). In de 16<sup>de<-sup> eeuw in Leuv. Bijdr. VI, 312: In

Adam
Spreekwoorden: (1914) Adam.
De naam van Adam, den eersten mensch, komt in vele zegswijzen voor. Wil men een familiebetrekking aanduiden, die zóó ver verwijderd is, dat niemand ze zou kunnen uitrekenen, dan zegt men, dat het een bloedverwant is van Adams wege (ook in het Waasch Idiot. 50 b) of